Beschuitdroge tekst over wereld onder de Friese terpen

Veertien leerlingen op het HAVO en twee op het VWO deden gisteren, op de laatste examendag, eindexamen Fries. Ook redacteur Lolke van der Heide, geboren en getogen in Friesland, bekeek de tekstverklaring voor VWO'ers.

Als 'dûmny' in de 'grifformearde tsjerke' van De Rottefalle een 'Fryske' preek hield bleef Bonze Reitsma thuis, en met hem vele andere gelovigen. Fries: dat was de taal van het volk, niet van de Heer. Dat was dertig jaar geleden, maar zo is het nog.

Als een van de vele Friezen 'om utens': zij die zich buiten het 'heitelân' hebben begeven, verwonder ik me bij elke hernieuwde kennismaking met het Fries over de minimale belangstelling en de schaamte die de Friezen zelf hebben voor hun taal. Het eindexamen Fries voor HAVO- en VWO-scholieren werd gisteren door welgeteld zestien leerlingen in de hele provincie gemaakt.

Het leidt onvermijdelijk tot de afgezaagde, plagerige vraag: is het Fries eigenlijk wel een taal? Het antwoord luidt: nee, het Fries is geen taal, niet meer tenminste.

Voor het overgrote deel van de Friezen dient hun, sterk vernederlandste, taaltje slechts voor de dagelijkse communicatie thuis en bij de bakker, voor een gesprek 'op niveau' spreken ze Nederlands. Daar is op zich niets verkeerd aan, overal in Nederland worden in de omgang dialecten gesproken en schakelt men over op ABN als dat nodig is. Het verschil met het Fries is dat die taal een officiële status heeft, tot genoegen van een klein groepje ambtenaren in Ljouwert (Leeuwarden), maar waar de meeste Friezen zelf niet wakker van liggen.

Taal is een dynamisch fenomeen, het kunstmatig tegenhouden van bepaalde woorden of uitdrukkingen is meestal onbegonnen werk. Als zodanig is de teloorgang van het Fries een natuurlijk proces waar men niet om zou hoeven te treuren. Maar ik wil gezegd hebben hoe jammer het is dat de Friezen hun eigen idioom niet meer gebruiken. Prachtige originele woorden als 'earrebarre' (ooievaar), 'njonkenlytsen' (binnenkort), 'kaai' (sleutel) en vele andere staan alleen nog in het Frysk Wurdboek van Uitgeverij A.J. Osinga in Drachten. Ze zijn verdwenen uit het dagelijks gebruik en vervangen door Nederlandse vertalingen. Zelfs het 'wân op 'e bealch' is tegenwoordig gewoon 'een pak slaag' geworden.

In 1980 werd ook de spelling aangepast aan de Nederlandse fonetiek, zodat het zich ook laat lezen als Nederlands. De medeklinkercombinatie hw voor vragen voornaamwoorden verdween 'hwat' is nu 'wat', 'hwer' (waar) is 'wer'; de stomme e-klank na een b, voorheen geschreven met een i werd een e; een lange a-klank veranderde van ae in aa. En zo voort: de Friese schrijfwijze moest het ontgelden.

'Hawar', dan nu het examen. Een beschuitdroge tekst die gaat over het 'archeologisch archief' van de Friezen: datgene wat onder de grond zit. Schrijver is Gilles de Langen, medewerker van de RAAP, afkorting van: Stichting Archeologisch ArchiveringsProject, een term zonder Friese vertaling. De opgaven voor de examinandi bestonden uit een kruising van essayopgaven, multiplechoice- en interpretatievragen.

Grootste probleem bij de beantwoording was het warrige betoog van De Langen. Met name in de bodem van de Friese terpen bevindt zich een schat aan archeologische voorwerpen, schrijft hij, maar zeker weet hij het niet. De auteur is eigenlijk tegen afgravingen die dat moeten bewijzen, 'kommersjeel' noemt hij die - ze tasten de 'lêsberens fan de spoaren' (leesbaarheid van de sporen) aan. Toch wil hij ook wel heel graag weten wàt er onder de klei verstopt zit. En behalve dat dilemma hebben de Friese archeologen ook nog te maken met boeren die het wagen zomaar de grond om te ploegen. Sombere conclusie van De Langen: 'Mei it Fryske grûnargyf stiet it der op it stuit net bêst foar'' - het gaat niet best met het ondergrondse.'

Slotvraag van het examen: 'De tekst is niet alleen informatief bedoeld. Citeer drie zinnen uit verschillende alinea's waaruit dat blijkt.' Ik beperk me gemakshalve tot de laatste alinea, waarin De Langen het heeft over 'de geweldige uitdaging (..) van de archeologische monumentenzorg' waarvoor veel geld op tafel moet komen. Dat zou niet alleen in het belang van de archeologen zelf zijn, maar ook 'foar eltsenien dy't ynteressearre is yn de Fryske skiednis' (voor iedereen die is geïnteresseerd in de Friese geschiedenis).

Helaas voor De Langen en de zijnen: die interesse bestaat slechts bij een enkeling. De tijd dat Grutte Pier om de Friese terpen zwalkte en binnenvallende 'Hollanders' met een flink 'wân op 'e bealch' terugjoeg over de Zuiderzee is allang voorbij.

    • Lolke van der Heide