Banken moeten met huisvrouw om de tafel gaan zitten; 'Brussel' maakt burger rijp voor eenheidsmunt

BRUSSEL, 1 JUNI. De Europese burger is maar moeilijk te bekoren door wat uit Brussel komt. Ook het vervangen van de vertrouwde guldens, lires en francs door één Europese munt, zal niet met vreugde onthaald worden. Daarom kondigde de Europese Commissie gisteren een campagne aan, om de burgers te winnen voor de eenheidsmunt. “De grote Europese financiële instellingen zouden rond de tafel moeten gaan zitten met huisvrouwen om de invoering van een eenheidsmunt te bespreken”, aldus Europees commissaris voor financiën Yves-Thibault De Silguy. “Laat ons werkelijk iedereen bij de discussie betrekken.”

De Eurocommissaris wil dit najaar een denktank in het leven roepen, waarin zakenmensen, politici en 'gewone burgers' een geschikte verleidingstactiek moeten bedenken. De daarop volgende reclamecampagne moet in de lidstaten zelf gecoördineerd worden, opdat de 'doelgroep' niet het idee heeft dat de eenheidsmunt weer iets is dat van bovenaf door Brussel wordt opgelegd. De campagne moet bovendien zeer gericht zijn, onderstreepte De Silguy gisteren. “Want de eenheidsmunt betekent niet hetzelfde voor een Catalaanse arbeider als voor een Italiaanse student.”

De nadruk die de Commissie legt op het veroveren van de publieke opinie, is opmerkelijk. Tot nu toe werd vooral gewezen op de technische problemen die de invoering van een Europese munt hinderen. De Nederlandse munthuizen zullen minimaal vijf jaar nodig hebben om de benodigde hoeveelheid van 50 miljard ecu's te slaan, verklaarde muntmeester C. van Draanen eerder tegenover deze krant. Ook de Nederlandsche Bank denkt zeker vier jaar nodig te hebben voor het drukken van de nodige bankbiljetten. Maar volgens De Silguy is het overwinnen van psychologische obstakels “ten minste zo belangrijk als het oplossen van de financieel-technische problemen”. Publieke acceptatie van de Euromunt is nodig, onderstreept men in Brussel, zeker in die landen waar de overgang naar een monetaire unie nog in een referendum moet worden goedgekeurd. Bovendien, een munt waarin mensen niet geloven, kan nooit een stabiele munt zijn.

De Commissie voorziet verzet tegen de Euromunt, niet alleen in landen als Denemarken en Groot-Brittannië, waar de Europese Unie toch al niet geliefd is, maar ook in Duitsland en Oostenrijk. Ze schrijft dat in een groenboek over de eenheidsmunt, dat gisteren gepresenteerd werd. De Commissie dringt er op aan dat snel een naam wordt gevonden voor de Euromunt. Tot nu toe wordt de term 'ecu' gehanteerd, maar die benaming wekt te veel negatieve gevoelens. Er circuleren al verschillende namen, het meest gehoord is de term 'franken' - een compromis waar ook Duitsland mee akkoord kan gaan. Klaus Hänsch, voorzitter van het Europees Parlement, suggereerde deze week: “Waarom zouden we hem in Frankrijk en België niet euro-frank, in Nederland euro-gulden en in Duitsland euro-mark noemen?” BBC-worldservice heeft inmiddels een prijsvraag uitgeschreven voor de meest geschikte naam.

De Europese burger wantrouwt de eenheidsmunt, maar er zijn juist zo veel voordelen, betoogde Eurocommissaris De Silguy gisteren.

Pag.23: Kritiek van Europarlement op muntplan; 'Commissie neemt loopje met verdrag van Maastricht'

Hij somde op: economische groei, bevorderen van de eenheidsmarkt, geen agromonetaire problemen meer, monetaire stabiliteit. Maar ook zeer praktische voordelen, zoals het niet meer hoeven wisselen voor reizen naar het buitenland. “Als je nu met 100 frank vanuit Brussel door alle landen van de Europese Unie reist, en je geeft niets uit, kom je met 50 frank thuis. De helft is opgegaan aan wisselen.”

Volgens de Commissie zal het waarschijnlijk nog tot na het jaar 2000 duren, voor reizigers met Euromunten op zak op stap kunnen. De Silguy ontvouwde gisteren een plan in drie etappes voor de invoering van de eenheidsmunt. Zijn groenboek is in feite het draaiboek voor de economische en monetaire unie waartoe in het Verdrag van Maastricht eind 1991 werd besloten, maar waarvoor nog geen gebruiksaanwijzing was gegeven. De oorspronkelijke gedachte om de munt met een 'big bang' in te voeren is verlaten, mede wegens die verwachte weerspannige reactie van het publiek. In een eerste fase, die maximaal een jaar mag duren, neemt de Europese Raad van ministers de beslissing dat de Economische en Monetaire Unie van start gaat en welke landen kunnen deelnemen. Een Europese Centrale Bank wordt opgezet en het drukken en persen van het geld begint. In de tweede fase wordt werkelijk een begin gemaakt met de Europese en Monetaire Unie, waarin de wisselkoersen bevroren worden en de overstap wordt gemaakt naar één monetair beleid. In deze fase moet het merendeel van de financiële activiteiten in de Euromunt plaatshebben. Hooguit drie jaar later begint de derde fase, met het invoeren van biljetten en munten. Die invoering mag niet langer dan een paar weken duren.

Dit scenario gaat overigens in tegen de gedachte van president W. Duisenberg van De Nederlandsche Bank, die ervan uitgaat dat de gulden en andere nationale munten nog wel een generatie naast de Europese munt zullen bestaan. In januari zei hij in een vraaggesprek met het Franse blad Le Monde: “Het is volkomen irreëel en een kolossale psychologische fout om in de zes maanden die volgen op instelling van een Europese valuta ook over te gaan tot introductie van de ecu in de vorm van munten en biljetten in de plaats van nationale geldsoorten.”

Uit het Europees parlement is inmiddels heftige kritiek gekomen op het scenario van de Commissie. Volgens Europarlementariër Alman Metten, rapporteur voor de introductie van de ecu, betekent het plan “uitstel tot Sint-Juttemis”. De Commissie neemt volgens hem “een loopje” met het Verdrag van Maastricht, wat betreft de introductie van de ecu voor het grote publiek. “De aanname dat de 'spoedige introductie' van de ecu na de start van de EMU drie jaar kan duren, dus tot het jaar 2002, maakt een lachertje van de geplande voorlichtingscampagne voor het grote publiek”, aldus Metten. “Dit moet enthousiast gemaakt worden voor de Europese munt, waarvoor het nu even de broekriem moet aanhalen (convergentiecriteria), maar die aan de horizon lonkt...over zeven jaar.” Ook voor het bedrijfsleven en banken is het Commissiescenario volgens Metten “een ramp - drie jaar onzekerheid en vaak hogere kosten in plaats van lagere”.

De Commissie gaat, zoals bepaald in het Verdrag van Maastricht, uit van twee tijdstippen waarop de monetaire unie in werking kan treden: eind 1997 of, uiterlijk, 1 januari 1999. Maar de laatste fase zal pas tussen het jaar 2000 en 2002 worden afgerond. Volgens 'Maastricht' moet de ecu “snel” na de totstandkoming van de Europese Monetaire Unie worden ingevoerd. Het verdrag, waarin de voorwaarden voor de Economische en Monetaire Unie zijn vastgelegd, bepaalt ook dat de stap naar de monetaire unie in 1997 alleen dan gemaakt kan worden als eind 1996 een meerderheid van de lidstaten voldoet aan de criteria. Ze moeten onder meer een begrotingstekort hebben dat niet hoger is dan 3 procent van het bruto binnenlands produkt (bbp), en een staatsschuld beneden de 60 procent van het bbp. Ook zijn er criteria voor inflatie, rente en stabiliteit. Volgens de Europese Commissie voldoen Duitsland, Denemarken, Ierland en Luxemburg nu al aan de 3-procentsnorm voor het begrotingstekort. Nederland, Finland en Groot-Brittannië zouden er volgend jaar aan kunnen voldoen, evenals Frankrijk, België en Oostenrijk na enige inspanning. In totaal dus tien landen. Luxemburg, Duitsland, Frankrijk, Groot-Brittannië voldoen al aan het criterium voor de staatsschuld. Oostenrijk, Finland en Spanje zijn in de buurt en Ierland gaat gestaag de goede kant op, concludeert de Commissie.

De Silguy, die begin dit jaar aantrad als Eurocommissaris, heeft steeds gezegd dat er eind 1996 voldoende landen zullen zijn om met de monetaire unie te beginnen. Gevraagd of zo'n unie een Noordeuropees bolwerk wordt, of dat de ze alleen van start gaat als er ten minste één Zuideuropees land meedoet, antwoordde De Silguy gisteren: “We houden ons aan objectieve criteria. We kijken niet: zit er een beetje Zuid in en een beetje Noord, Oost en West.”

De Silguy komt de laatste tijd steeds meer alleen te staan in zijn optimisme. Vooral de recente valutaire onrust heeft nieuwe twijfel gezaaid over de invoering van de Europese en Monetaire Unie in 1997. De president van het Europese Monetaire Instituut, Alexandre Lamfalussy, zei eerder deze maand dat de landen van de Europese Unie bij lange na niet voldoen aan de criteria die zijn neergelegd in het verdrag van Maastricht voor de omvang van het begrotingstekort en de staatsschuld. Hij is hooguit “voorzichtig optimistisch” over de totstandkoming van de monetaire unie in 1999. Ook de Nederlandse minister van financiën Zalm zei eerder deze maand tijdens een bijeenkomst van de Europese Investeringsbank in Amsterdam dat hij een monetarie unie in 1997 “zeer onwaarschijnlijk” acht. Zijn Duitse collega Waigel deelt die twijfel. Zelfs Commissievoorzitter Jacques Santer zei in een interview met de Financial Times dat hij uitgaat van “een behoorlijke kerngroep in 1999”.