Annie en Adriaan

Als de nationale vriendin van Nederland overlijdt, groeien halve en hele waarheden makkelijk uit tot onterechte beschuldigingen. Mevrouw Hoogerwerf-Leppink eist dat Adriaan Morriën het Nederlandse volk zijn excuses aanbiedt (NRC Handelsblad, 27 mei), omdat zijn kritiek op Annie M.G. Schmidt ons beroofd zou hebben van een onbekend aantal kindergedichten. Zij blijkt echter maar half geïnformeerd.

De gewraakte kritiek verscheen op 19 april 1958 in het Parool en was een reactie op Schmidts derde bundel met grote mensenverzen: 'Huishoudpoëzie'. Die kritiek is voor Annie Schmidt zeker geen aanleiding geweest te twijfelen aan de kwaliteit van haar kinderversjes. Integendeel. Bij de verschijning van 'Het fluitketeltje' in 1951 had Morriën haar gedichten voor kinderen juist enorm geprezen. Hij vond ze beter dan die voor grote mensen in de gelijktijdig verschenen bundel 'En wat dan nog'. De regels voorafgaand aan het door mevrouw Hoogerwerf-Leppink geciteerde slot luidden ook: 'Een uitzondering moet men maken voor de kindergedichten, waarover andere dingen te zeggen zouden zijn en die naar mijn smaak het beste zijn wat deze schrijfster heeft geschreven.'

Adriaan Morriën was overigens niet de enige die de grote mensenpoëzie van Schmidt met een kritisch oog heeft bekeken. De in 1954 verschenen bundel 'Weer of geen weer' was eveneens met de nodige reserves besproken, onder anderen door Maurits Mok in Het Algemeen Handelsblad.

Na 1958 heeft Annie M.G. Schmidt geen poëzie voor volwassenen meer gepubliceerd; wel nog drie bundels met kinderpoëzie. Dat zij na dit jaar wat minder gedichten voor kinderen heeft geschreven dan voor die tijd, heeft eerder te maken met de veranderingen in haar werkzaamheden. Schrijven voor radio, televisie, musical, cabaret en theater was een grotere uitdaging geworden. En gelukkig maar. Als ze haar activiteiten niet had verlegd hadden wij geen 'Ja zuster, nee zuster' gehad, geen 'Minoes', geen 'Pluk van de Petteflet' en geen 'Otje'. Dat zou pas echt een nationale ramp zijn geweest.