Dit is een artikel uit het NRC-archief

Beurzen en beleggen

Toezicht op beurshandel onder scherpe kritiek

ROTTERDAM, 31 MEI. Het toezicht dat de Amsterdamse effectenbeurs op haar eigen leden en op de beurshandel uitoefent staat opeens in het middelpunt van de belangstelling. Vier Kamerleden hebben deze week aan minister Zalm van financiën vragen gesteld over de toename van financiële fraude en over de mankracht en deskundigheid van de verschillende instanties die bij opsporing van beurshandel met voorkennis zijn betrokken.

De Kamervragen zijn het voorlopig sluitstuk van een intense, via de media gevoerde discussie over de aanpak van handel met voorkennis tussen de beurs, de STE die namens de overheid toezicht houdt op de financiële markten en het Openbaar Ministerie. Handel met voorkennis is in Nederland sinds 1989 strafbaar (2 jaar cel en/of een ton boete).

Aanleiding voor de ophef is de voorkennisaffaire rond zo'n tien managers van het handelshuis Borsumij Wehry. Nadat de beurs Borsumij gedwongen had het onderzoek zelf bekend te maken, lekte allerhande belastend materiaal over de Borsumij-managers uit. De top van het handelshuis reageerde als een kat in het nauw en vroeg concurrent Hagemeyer om Borsumij over te nemen.

Dwars door de commotie over deze voorkennisaffaire liep de afgelopen dagen -twee jaar na dato- een serie van drie afleveringen van het tv-programma Nova over de ondergang van het kleine effectenhuis Nusse Brink. De directeuren van dit kantoor zijn door de beurs inmiddels voor hun verdere leven uit de effectenhandel gezet en moeten nog voor de rechter komen wegens verdenking van onder meer witwassen van crimineel geld.

Onder de gedupeerden door het debacle Nusse Brink zaten niet of nauwelijks particuliere klanten, maar andere beursfirma's, waaronder het effectenhuis Van Meer James Capel dat voor een kleine 5 miljoen gulden de boot inging. Van Meer, een dochter van de internationale Hongkong Bank, probeert dat geld nog steeds terug te krijgen van de beurs. Tot dusver zonder succes. Maar Van Meer grijpt elke gelegenheid, zoals een Nova-uitzending, aan om de zaak op het agenda te houden.

Of de beurs gefaald heeft in het toezicht op Nusse Brink is voor buitenstaanders moeilijk te beoordelen. De discussie daarover draait voornamelijk om de vraag of de beurs Nusse Brink niet eerder had moeten sluiten. Wie als professionele partij in de effectenhandel geld verliest in een debacle als Nusse Brink, is vanzelfsprekend boos maar moet zich ook afvragen of hij niet beter had moeten weten met wie hij zaken deed.

Toezicht is er bovenal om het grote publiek - de gemiddelde belegger - te beschermen tegen malafide partijen, om eventuele interne brancheregels te handhaven en om, waar nodig, de wet te helpen handhaven. Dat betekent in het geval van de effectenhandel dat de beurs moet toezien op de integriteit van de directeuren en op de financiële gezondheid van effectenbedrijven, dat zij overtredingen van interne regels moet bestraffen en beurshandel met voorkennis moet opsporen.

Wat er ook opgemerkt kan worden over amateurisme bij het toezicht in het verleden, de afgelopen jaren heeft de beurs de nodige activiteit ontplooid. De beurs heeft wat dat betreft ook weinig keus: veertig procent van de handel op de beurs komt voor rekening van buitenlandse, voornamelijk Angelsaksische beleggers. Die verwachten, net als op hun thuismarkt, strenge controle en sancties bij overtredingen zodat de reputatie van de markt niet wordt aangetast.

Intern heeft de beurs haar tuchtrecht de laatste jaren zodanig aangescherpt, dat bestrafte beursleden steen en been klaagden over nieuwe normen die werden gehanteerd zonder dat zij daarover voldoende waren geïnformeerd. Op aangeven van de beurs is de eerste grote voorkenniszaak - handel in aandelen van het (inmiddels failliete) automatiseringsbedrijf HCS - in 1991 bij het Openbaar Ministerie en in 1994 bij de rechter beland. Het aantal onderzoeken en aangiftes verloopt crescendo. In 1992 twee aangiftes, in '93 ook twee, vorig jaar vier waaronder de Borsumij-zaak. Dat zijn er zoveel dat het Openbaar Ministerie de zaken niet meer aan kan en het loket heeft gesloten.

Of toenemende financiële fraude aan die hausse ten grondslag ligt, is de vraag. De beurs heeft het aantal medewerkers van het controlebureau, dat het toezicht in de praktijk uitvoert, in vijf jaar verdrievoudigd tot bijna 30. Wie meer mankracht op de been brengt tegen fraude en onregelmatigheden, ziet ook meer verdachten en kan diepgaander rechercheren. Het is de tragiek van de beurs dat de mankracht op het Openbaar Ministerie geen gelijke tred heeft gehouden.

Bij het Openbaar Ministerie is het verloop van voor beursfraude verantwoordelijke officiers groot. Bovendien hebben de politici en Justitie de afgelopen jaren voornamelijk aandacht gehad voor de bestrijding van de zware drugscriminaliteit. De huidige officier van Justitie Wortel ging onlangs zelfs zover door in het openbaar te verklaren dat hij beursfraudes -in feite witte boordencriminaliteit- niet rekende tot echte misdaad.

Het achterblijven van de prioriteitstelling door het Openbaar ministerie spreekt boekdelen. De overheid moet rap de mankracht en expertise van het justitiële apparaat uitbreiden, wil zij van haar eigen wetgeving geen farce maken. Op de beurs en in het bedrijfsleven speelt imago en vertrouwen een cruciale rol. Een hoge pakkans en dito uitzicht op sancties zijn de beste afschrikking tegen beursfraude.