Antropoloog Mart Bax over de betekenis van buren, oorlog en etniciteit op de Balkan; Het mes wordt niet bot en het geweer niet roestig

Niemand lijkt nog te weten hoe de oorlog in Bosnië-Herzegovina te beteugelen. Geen wonder, zegt de Nederlandse antropoloog Mart Bax, het is in Bosnië eigenlijk altijd oorlog. Alleen de intensiteit verschilt. Uit eigen veldwerk: vetes en een slachtpartij in het ogenschijnlijk vredige pelgrimsoord Medjugorje.

Mart Bax: Medjugorje: Religion, Politics, and Violence in Rural Bosnia. VU University Press, ƒ 35.

De kogel, schijnt het, was bestemd voor het muildier maar trof het been van Mate Jerkovic. Het was Kerstdag 1991 en Jerkovic, een oudere man en moeilijk ter been, was op weg naar het kerkhof van Medjugorje om bloemen op het graf van zijn vrouw te leggen. De kogel kon niet ongewroken blijven, en dus volgden er meer, heen en weer tussen de strijdende partijen, in het drieduizend zielen tellende dorpje. Van schieten om te intimideren of te verwonden werd het vanzelf schieten om te doden. Met mes en touw werden er 's nachts nog meer rekeningen vereffend. De slachtoffers hingen 's ochtends opgehangen aan een boom te kijk.

In 1981 werd Medjugorje, een dorp op een kale vlakte in Bosnië, plotseling beroemd toen een groep kinderen de Heilige Maagd ontwaarde. Sindsdien is haar verschijning een vrijwel dagelijks terugkerend evenement. De talrijke pelgrims van heinde en ver - meer dan achttien miljoen sinds 1981 - valt vooral de vroomheid van de plaatselijke bevolking op. Daarnaast hadden de dorpelingen zich met enthousiasme geworpen op de exploitatie van pensions, pizzeria's, souvenirwinkels en wat pelgrims zoal nog meer nodig hebben. Tien jaar na de eerste Maria-verschijning raakten twee clans in Medjugorje in een bloedige 'kleine oorlog' verwikkeld met de derde. Eindresultaat: tenminste 140 doden, zestig vermisten en zeshonderd vluchtelingen op een totale bevolking van drieduizend.

Geen pelgrim heeft deze kant van het dorpsleven ooit opgemerkt. Sterker nog, misschien had er nooit een buitenstaander van geweten wanneer niet een Nederlandse antropoloog, Mart Bax, sinds 1984 enkele weken per jaar in Medjugorje had verbleven. Deze week verscheen het boek waarin Bax (59), bijzonder hoogleraar in de politieke antropologie aan de Vrije Universiteit, verslag doet van zijn bevindingen in Medjugorje.

De oorspronkelijke inzet van zijn antropologische veldwerk was machtsrelaties binnen religie. Stof te over: de paters Franciscanen bijvoorbeeld, voor wie Bosnië van oudsher missiegebied is, zetten de oproepen van de Heilige Maagd tot vrede in - toen nog met succes - tegen de hang naar bloedwraak tussen clans en vetes tussen de verschillende etnische groepen.

Maar in 1991, toen de laatste resten staatsgezag afbrokkelden, ging het helemaal mis in Medjugorje. Bax kon aan zijn boek over het bedevaartsoord een hoofdstuk toevoegen over het uiteenvallen van een geheel Kroatisch dorp waar de ene partij de andere ineens ging uitmaken voor 'Serviërs'.

Écht verwonderen deed het hem niet, laat Bax merken. Etnische categoriën als 'Kroaat' of 'Serviër' zijn veel vloeiender dan de naar begrip hakende buitenwereld pleegt aan te nemen, meent hij. Ten aanzien van Bosnië lijdt die buitenwereld naar zijn smaak maar al te vaak aan heilloze bijziendheid en eenzijdigheid. Er is, zoals je aan de geschiedenis van Medjugorje kunt zien, in Bosnië eigenlijk nooit vrede. Alleen de intensiteit van het geweld en de conflicten fluctueren. Eigenlijk, schrijft Bax in zijn boek, is het op het Bosnische platteland al vierhonderd jaar oorlog.

Mes en geweer

Deze streek, ten Westen van Mostar, is een deel van Bosnië “waar het mes niet bot wordt, en het geweer niet roestig”, citeert Bax een bewoner. Als reactie op het hardhandige bestuur van de Turken dat tot 1878 duurde, en de daaropvolgende Oostenrijks-Hongaarse heerschappij, bestaan er sinds jaar en dag gewapende benden die als Hajduci, Ustasi of Cetnici bekend staan. Zij hebben allemaal politieke programma's, maar daarnaast voeren ze een beleid van roven, plunderen en moorden.

De jaren van de Tweede Wereldoorlog waren in Bosnië-Herzegovina van een ongekende geweldsuitoefening, waarbij die van nu een flauwe afspiegeling lijkt. In Medjugorje liet de helft van de toenmalige bevolking het leven. De oorlog eindigde in de overwinning van Tito's partizanen, voor een deel bestaande uit naar het communistische leger overgelopen Montenegrijnse Cetnici.

Bax toont aan dat de Kroatische bevolking nog lange tijd alle reden had het gedrag van de communistische overheden in hun streek als een Servische wraakoefening te zien. Zo werden de dorpelingen bijvoorbeeld gedwongen in geld en in natura (arbeid) mee te helpen aan het oprichten in een naburig dorp van een groot partisanenmonument, dat inmiddels met dynamiet is opgeblazen.

In de jaren zeventig groeide in Medjugorje opnieuw de Ustasi-beweging: als tweederangs-burgers behandelde Kroaten organiseerden zich in bewapende, geheime cellen. Wie weet waarop dat was uitgelopen, wanneer niet in 1981 Maria was verschenen. De wassende stroom pelgrims uit alle continenten maakte dat de dorpelingen van Medjugorje al vlug andere dingen aan hun hoofd hadden dan bloedwraak of historisch onrecht.

Er kon veel geld worden verdiend aan de pelgrims. Vooral de clan der Ostojici, de armste van de drie hoofdclans in Medjugorje die door hun medebewoners vanwege de onvruchtbaarheid van hun land wel spottend 'steeneters' werden genoemd, legde een opmerkelijke dynamiek aan de dag.

Hun onvruchtbare land lag aan de voet van de Kruisberg, waarlangs dagelijks grote groepen pelgrims trokken, op zoek naar verversing, devotionele souvenirs of onderdak. De clanleden legden vruchtbare contacten met Joegoslavische reisagentschappen en met de - bijna geheel uit Servische agenten bestaande - regionale politie en andere autoriteiten in een naburig dorp. Medewerkers van de Ostojici-clan pikten de pelgrims op die per charter van de Jugoslovenski Aero Transport naar vliegvelden in de omgeving waren gebracht - waaronder zelfs dat van het Joegoslavische Volksleger in Mostar - en vervoerden ze in eigen touringcars linea recta naar de Ostojici-pensions in Medjugorje.

De twee andere clans, de Sivrici en de rijke Jerkovici, zagen de plotselinge welstand van de Ostojici met lede ogen aan. De betekenis van hun tot ver buiten de grenzen van Joegoslavië vermaarde wijnranken en tabaksaanplant bleek plotseling betrekkelijk. Wat ze vooral stak, was de rendabele samenwerking die de Ostojici hadden ontwikkeld met allerlei Joegoslavische (en dus als Servisch beschouwde) overheden. In Medjugorje had men tot dan toe zijn zaken altijd op eigen - Kroatische - kracht afgehandeld.

In de lente van 1991 liep het aantal pelgrims door de vijandelijkheden in andere delen van Joegoslavië drastisch terug. Daardoor kwam de afbetaling van talrijke schulden in gevaar. De Sivrici en de Jerkovici meenden dat de tijd gekomen was de Ostojici tot een redelijker verdeling van de inkomsten uit de weinige resterende pelgrims uit te nodigen. Die onderhandelingen hadden echter geen gunstig verloop, en veel oud ressentiment tussen de clans - wier perioden van onderlinge veten in het verleden waren afgewisseld met perioden van rituele verzoening - stak de kop op.

“Het omgaan met geweld, het streven naar beheersing en het sturen daarvan door geestelijken, leken en door de staat: dat is de rode draad die door mijn boek loopt”, zegt Bax. Zijn lichte verlegenheid en aarzelende manier van formuleren doen niet vermoeden dat hij stelselmatig het gezelschap van krachtpatsers zoekt. Toch heeft Bax zich in het antropologisch veld al vaker met gewelddadige onderwerpen bezig gehouden. Eigenlijk vanaf zijn dissertatie in 1973, een studie van binnenuit over mafia-achtige relaties in Ierland.

Hoeveel Medjugorjes zijn er in Joegoslavië? Hoeveel plaatsen zijn er waarvan de geschiedenis een aaneenschakeling is van gewelddadige episodes? “Ik doe niet mee in de reidans van sociale wetenschappers die zeggen, dat je alleen iets mag bestuderen dat representatief is. Maar in Bosnië-Herzegovina moeten er veel Medjugorjes zijn”. Hij meent dat zijn onderzoek beter inzicht in ex-Joegoslavië biedt dan wat politici, militairen, journalisten en andere Balkan-deskundigen nu meestal weten. “Nu hoort men dat het geweld daar irrationeel, onzinnig, bizar is, en daarmee is de kous dan af. Maar het zou goed zijn ons te realiseren dat wij, in onze cultuurkring, in zekere zin de uitzondering vormen op het gebied van geweldsbeheersing. Dat gebrek aan bewustzijn van onze culturele bepaaldheid staat inzicht in wat daar gebeurt in de weg.”

Volgens Bax vloeit veel onbegrip voort uit het onkritisch hanteren van begrippen waarvan wij de betekenis menen te kennen. Het begrip buren, bijvoorbeeld. “Hoe is het mogelijk, vraagt men zich dikwijls af, dat mensen die decennia lang buren waren, elkaar nu ineens naar het leven staan? We realiseren ons niet of niet voldoende, dat het begrip buren in zo'n Bosnische plattelandssamenleving een zeer ambivalente gevoelswaarde heeft. Buren zijn potentiële helpers, maar ook een bron van conflicten. De geiten van je buren kunnen losbreken en jouw hele jonge groente-aanplant in minder dan geen tijd opvreten. Van buren ben je in een boerensamenleving erg afhankelijk, en dat maakt dat ze macht over je hebben. Buren weten doorgaans vrij veel over je, wat je kwetsbaar maakt. Onder omstandigheden zullen ze die kennis tegen je gebruiken en een 'oude rekening' vereffenen. De norm zegt niet voor niets: met je naaste buren moet je goed omgaan. Als zoiets vanzelf zou gaan, behoefde er niet zo'n norm te zijn. Buren zijn je vrienden èn je vijanden.”

Escalatie

Medjugorje was in 1991 een van die vele plaatsjes in Bosnië, waar de vijandschap pijlsnel escaleerde. Op 15 augustus 1991 houdt een groep gewapende en gemaskerde mannen een groep pelgrims, gasten van de Ostojici tegen wanneer zij, zoals gewoonlijk onder begeleiding van Franciscanen, zingend en biddend de weg naar de Kruisberg willen beklimmen. Er vallen waarschuwingsschoten. De Ostojici, die menen enkele Jerkovici achter de maskers te hebben herkend, roepen de hulp in van de politie uit Citluk, die 's nachts enkele Jerkovici van hun bed licht. Een kardinale fout: vanwege de inmenging van de (Servische) politieagenten concluderen de anderen dat de Ostojici dus 'kleine Serviërs' zijn.

En dezen beginnen zich ook als Serviërs te gedragen, vinden de anderen, als kort daarna auto's met nummerborden uit Servische plaatsen worden gesignaleerd in het buurtschap waar de Ostojici wonen. Het grote bewapenen heeft dan al - zoals op veel plaatsen in ex-Joegoslavië - een aanvang genomen.De Ostojici krijgen wapens uit de voorraden van het Joegoslavische leger, dat in deze periode her en der voornamelijk Servische dorpelingen van wapens voorziet. De andere clans in het dorp doen hun voordeel met vuurwapens, raketwerpers en mortieren uit de leeggeroofde opslagplaatsen van de 'Territoriale verdediging', een door Tito ingestelde burgerwacht. Op een nacht worden alle graven van Ostojici met dynamiet opgeblazen, zoals overal in Bosnië een teken dat in de ogen van hun vijanden hun rol in deze streek is uitgespeeld.

Medjugorje verandert in een militair kamp, omsingeld door een strijdmacht van de Jerkovici en Sivrici, die willen verhinderen dat hun tegenstanders nog langer steun van buiten kunnen aantrekken. Men schiet wat lukraak op elkaar, vernielt eens een watertank in het andere kamp, maar het duurt nog tot Kerstmis 1991 voordat er serieus bloed vloeit, en een kogel - vermoedelijk onbedoeld - het been van Mate Jerkovic treft.

In de daarop volgende reeks wraaknemingen vertelt Bax, hebben zo'n tachtig mensen het leven gelaten, waarvan zestig afkomstig uit Medjugorje zelf. Want terwijl een deel van de autochtonen er, soms schietend, in slaagt de 'kleine oorlog' te ontvluchten, stromen 's nachts gewapende mannen het dorpje binnen om een bijdrage aan de strijd te leveren. Het zijn veelal verwanten uit plaatsen waar een soortgelijke 'kleine oorlog' al is beëindigd

De ontknoping volgt in mei, als een brigade van de Kroatische extremistische militie HOS een verrassingsaanval uitvoert op het kamp der Ostojici. Het schijnt dat daarbij zo'n honderd mensen zijn afgevoerd en in een naburig ravijn gegooid. In ijltempo herstellen de leden van de twee overgebleven clans de huizen en ondernemingen van de verdreven Ostojici. Alle sporen van hun aanwezigheid in het plaatsje lijken uitgewist. Onder de vluchtelingen uit Medjugorje, tot in Duitsland verspreid, komt niemand meer op de gedachte de Ostojici tot Serviërs te bestempelen. Zij beschouwen zichzelf opnieuw gewoon als Kroaten.

Strafexpedities

“De werkelijkheid daarginds spot met onze indelingen en onderscheidingen”, meent Bax. “Hier bij ons wordt het begrip 'etnische identiteit' vaak gehanteerd alsof het een status van uitsluiting betreft. Eenmaal Kroaat, altijd Kroaat, en verder niets. Maar in Bosnië-Herzegovina ligt dat heel anders. Wat we in Medjugorje zien is een proces van etnische stigmatisering, waarbij een bepaalde etnische groep binnen het dorp, die is verwikkeld in een krachtmeting met andere Kroatische groepen, de Servische identiteit krijgt opgedrongen. En de omstandigheden maken dat zij zich ook als Serviër gaan beschouwen.”

Nog een voorbeeld van een verkeerd gehanteerd begrip: oorlog. “Voor ons is oorlog een gewelddadig treffen van legers, duidelijk te onderscheiden van allerlei 'misdadig' of 'terroristisch' gedrag. In ruraal Bosnië-Herzegovina zijn ook die grenzen vaak vloeiend: een krachtmeting tussen legers valt eronder, maar ook een collectief uitgevochten stamvete, evenals een georganiseerde vergeldingsactie en elkaar bestrijdende 'gangs'. De 'oorlog' in Bosnië-Herzegovina is daarom grillig en onvoorspelbaar, omdat al dit soort geweldsformaties naast elkaar en door elkaar opereren. Het is relevant erop te wijzen dat àlle militaire commandanten in de 'oorlog' in Bosnië-Herzegovina, naast reguliere militaire acties ook geregeld leiding gaven aan 'afrekeningen'. Strafexpedities naar dorpen en regio's waar hun familieleden in en na de Tweede Wereldoorlog door Kroatische of moslim-milities over de kling zijn gejaagd.”

Bax' beeld van Bosnië wekt niet de indruk alsof het Westen en de rest van de internationale gemeenschap daar binnen afzienbare tijd aan het geweld een einde kan maken. Vanwaar toch ons onbegrip voor wat er gebeurt in Bosnië, en onze teleurstelling over onze vredessoldaten? “De ontwikkelingsgang van ruraal Bosnië wordt gekenmerkt door geregelde geweldsuitbarstingen, afgewisseld met betrekkelijk korte perioden van relatieve rust of vrede. Hierover is weinig bekend, niet alleen bij ons, maar ook bij een deel van de bevolking van Bosnië, met name de jongere generaties. Dat komt in belangrijke mate door het zeer effectieve afschermingsbeleid dat Tito zo'n veertig jaar heeft gevoerd.

“Dat beleid was effectief naar binnen: door een zeer zware onderwijscensuur is vrijwel alles wat aan de Tweede Wereldoorlog vooraf is gegaan in nevelen gehuld. De geschiedenisboekjes reppen er niet over en wekken de indruk dat het leven pas begon toen Tito na 1945 orde op zaken ging stellen: iedereen was allereerst Joegoslaaf. Nationaliteit en nationalisme waren eigenlijk uit den boze en taboe. Menige vader en moeder begonnen er niet over uit angst dat ze conflicten met hun kinderen zouden krijgen, die hen dan konden aangeven bij de partij, met als straf een beknotting van de sociale ontplooiingsmogelijkheden van henzelf of hun kinderen. Geen wonder dus dat de jongste ontwikkelingen zo voor veel jongeren een schok zijn: een catastrofe out of the blue. Maar ook naar buiten was dat beeld gevestigd: in het Westen geloofde men dat wat er aan ordeverstoring plaatsvond het werk was van bandieten, politieke fanatici, ordeverstoorders, fascistische krachten enzovoort.”

Rust en orde

Veel debatten en discussies bij ons over Joegoslavië zijn heilloos, meent Bax, omdat ze worden gekenmerkt door eenzijdigheid en 'bijziendheid'. “Ik erger me soms aan die betogen, dat de troebelen het gevolg zijn van diepverankerde tegenstellingen tussen Kroaten en Serviërs. Die tegenstellingen, zo redeneert men, zaten in de ijskast ten tijde van het communistische regime, dat ook wel met een hogedruk-pan werd vergeleken. Metaforen worden vaak gebruikt, wanneer men eigenlijk geen goede verklaring heeft. Toen de druk van de pan ging, zegt men dan, kwamen de latente antagonismen vrij. Maar het is een fictie te geloven dat er ten tijde van Tito rust en orde in de Bosnische plattelandssamenleving heerste. Die fictie heeft enorme consequenties voor onze beeldvorming van wat er nu gaande is.

“Door het hanteren van een historisch perspectief, zoals ik in mijn boek doe, kun je zien dat er sprake is van een continue proces, van voortdurende tegenstellingen die gedurig worden gevoed worden door zowel interne als externe bronnen. Nu eens escaleren ze, dan leiden ze weer een sluimerend bestaan, maar ze onttrokken zich grotendeels aan de openbaarheid. We zitten nu in een fase van escalatie.”

Hoe lang gaat dat nog door in Joegoslavië? “Vanuit mijn lange termijn-perspectief is die vraag ongelukkig”, zegt Bax. Hij heeft reeds de blik gericht op de conflicten die zich aftekenen sinds de 'kleine oorlog' van Medjugorje: krachtmetingen tussen geestelijken en lokale warlords om de loyaliteit van de plaatselinge bevolking, het verschil tussen het gedrag van de nieuwe regionale leiders en de machthebbers van vroeger, en de vraag hoe Kroatisch-nationalistisch de lessen van de Heilige maagd eigenlijk kunnen worden uitgelegd.

Aan de aarzelend teruggekeerde pelgrims zullen ook deze nieuwe conflicten vermoedelijk voorbijgaan. Bax: “De pelgrims leven in een heel andere wereld dan de bevolking”. Wij ook.

    • Raymond van den Boogaard