Dit is een artikel uit het NRC-archief

Milieu en natuur

De muzen achter de koeiestal; Het Romeinse mozaïek van boer Bossers

In de buurt van het Luxemburgse dorpje Vichten werd onlangs een groot en gaaf Romeins mozaïek opgegraven. Wat zal er gebeuren met de spectaculairste archeologische vondst die ooit in het groothertogdom is gedaan? “Het liefst wil ik hier gewoon mijn nieuwe stal bouwen,” zegt de vinder.

De locatie spreekt niet tot de verbeelding - tenzij je romantische gevoelens koestert voor de intensieve veehouderij. Een grote stal van steen en beton domineert het erf, waarop her en der landbouwwerktuigen en stapels met bouwmateriaal staan. Er ligt stro op de nieuw bestrate oprijlaan en het uitzicht op de omliggende weilanden wordt belemmerd door witte hardplastic hokken waarin zich bruine kalfjes blijken te bevinden. Ter linkerzijde van de lege stal - het is warm, de koeien staan in de wei - staat een directiekeet, vanwaaruit een veiligheidsagent toezicht houdt op een ondiepe kuil van ongeveer tien bij vijftien meter.

Hier, op deze heuvel even buiten het dorpje Vichten, 25 kilometer ten noordwesten van Luxemburg-Stad, ligt onder een groot zeil de spectaculairste archeologische vondst die ooit in het groothertogdom is gedaan: een Romeins vloermozaïek uit de derde eeuw na Christus dat behoort tot de grootste die er in het noorden van het Imperium Romanum zijn gevonden. De afgelopen maanden is het voorzichtig meter voor meter blootgelegd, samen met de belendende resten van de villa waarvan het eens het pronkstuk was. Duizenden mensen zijn inmiddels op open dagen komen kijken naar de afbeelding van Homerus en de negen muzen, en ook deze middag zullen naar schatting 1500 bezoekers door de dienstdoende archeologen worden rondgeleid. Dat zal voorlopig de laatste keer zijn, vertelt boer Bossers, die even tevoren op een grote shovel is komen aanrijden. “Ik heb genoeg van al dat volk op mijn erf.”

Het is zaterdagochtend; de archeologen van het Luxemburgs Nationaal Museum zijn er nog niet, en de verlegen Bossers geeft summier commentaar bij de vondst achter zijn koeiestal - in het Nederlands, want hij blijkt tot aan zijn huwelijk in de buurt van Breda te hebben gewoond. Bossers vertelt hoe hij vorig jaar het mozaïek vond. Bij het graven van een bouwput voor een nieuwe stal voelde hij dat zijn shovel iets hards raakte; het bleek een bloem 'gemaakt van allemaal kleine steentjes.' Nadat hij zelf enkele vierkante meters van het mozaïek had uitgegraven, riep hij de hulp van archeologen uit 'de stad' in. Die legden het mozaïek bloot en concludeerden dat er op zijn erf een Romeinse villa van meer dan vijftig kamers had gestaan. De rechtervleugel van het negentig meter brede gebouw had hij al een paar jaar geleden kunnen aantreffen, toen hij zijn eerste stal bouwde, maar 'toen hebben we niet zo diep gefundeerd'.

Bossers gaat me voor in de kuil, een meter of anderhalf onder het maaiveld. Links naast het zeil dat het mozaïek tegen de regen beschermt, zijn de fundamenten van de villa te zien: bakstenen, pleisterwerk en stapeltjes plavuizen die waarschijnlijk nog over zijn van de vloerverwarming. Niet heel bijzonder, maar dat maakt de verrassing alleen maar groter. Onder het tentdoek strekt zich een grote, symmetrische mozaïekvloer uit, versierd met een bloemenrand en geometrische patronen. In een achthoek in het midden zie ik twee zittende figuren met hun naam boven hun hoofd: Homerus en Calliope, de muze van het heldendicht; eromheen zijn acht kleinere achthoeken gegroepeerd met daarin de andere muzen.

Wereldbol

Op kousevoeten maak ik een rondje langs de negen muzen en hun beste leerling. Bijna iedereen is afgebeeld met zijn vaste attribuut: Thalia, de muze van het blijspel, heeft een masker in haar hand; Euterpe, muze van de lyriek, twee lange fluiten. Clio (geschiedenis) heeft een boekrol en een schrijfstift, Urania (sterrenkunde) wijst met een aanwijsstok naar een wereldbol, Polymnia (welsprekendheid) gebaart naar een onzichtbaar publiek. Aerato (minneliederen) en Terpsichore (dans) houden allebei een lier vast, en Melpomene (treurspel) een tragisch masker. Alleen Calliope mist de boekrol en de bazuin die ze meestal bij zich draagt; zij doet een bordspel met Homerus, die als een triomfator met lauwerkrans statig op een luxe bank zit.

Het is moeilijk te zeggen wat meer indruk maakt: de grootte van het mozaïek (ruim zestig vierkante meter), de harmonieuze schakering van de tientallen verschillende kleuren (die, zo vertelt Bossers, veel feller waren toen ze net onder de natte aarde vandaan kwamen), of de uitzonderlijk gave staat waarin alles verkeert. Het mozaïek van Vichten mag dan kleiner zijn dan het gladiatorenmozaïek dat anderhalve eeuw geleden in het 50 kilometer verderop gelegen Duitse plaatsje Nennig werd gevonden, het heeft veel minder beschadigingen en lege plekken. Er zijn wat steentjes weg tussen Polymnia en Aerato, en naast het hoofd van Melpomene zit een gat waar ooit een steunbeer in de grond heeft gezeten. Maar verder doet alleen een gelijkmatige verzakking in het midden de ouderdom van de vloer vermoeden.

Bossers, die zichtbaar ingenomen is met 'zijn' mozaïek, zegt dat de villa eigendom was van een rijke, ontwikkelde Romein die carrière had gemaakt in de handels-en garnizoensstad Trier. Hij vertelt dat op een heuvel aan de andere kant van Vichten in de jaren twintig een groot monument is gevonden dat hoogstwaarschijnlijk zijn graf is. Waarom deze rijkaard juist Vichten uitkoos als lustoord, weet Bossers niet. Maar hij laat wel de resten van een klein aquaduct zien aan de noordkant van het mozaïek. Er was in de buurt in ieder geval een bron, en dus stromend water. Bovendien moet aan de andere kant van de heuvel een Romeinse weg hebben gelopen.

Ik vraag Bossers wat er nu met het mozaïek gaat gebeuren. Wordt het overgebracht naar het Nationaal Museum om daar geëxposeerd te worden? Of blijft het hier liggen en wordt het samen met de nog uit te graven villa de grote toeristische attractie van Vichten? Dat laatste in ieder geval niet, luidt het antwoord. “Het liefst wil ik hier gewoon mijn nieuwe stal bouwen. De gravers uit de stad mogen het mozaïek hebben, maar eerst moeten er nog wat zaken geregeld worden. De betaling bijvoorbeeld. Volgens de wet is alles op en onder deze grond mijn eigendom, en zo'n mozaïek zal veel waard zijn.”

Julius Caesar

Anderhalve week later krijg ik via de telefoon de details van de vondst in Vichten. Dr. J. Krier, hoofd archeologie van het Nationaal Museum en een van de opgravers, bevestigt dat het - net als in Nennig bij Trier - gaat om een met zuilengalerijen omgeven 'porticusvilla' van één verdieping hoog. De eerste bebouwing, waarvan houten resten zijn teruggevonden, dateert van de eerste eeuw na Christus, meer dan honderd jaar nadat Julius Caesar het door de stam der Treveri bewoonde gebied tussen Maas en Moezel had gepacificeerd. Het was een van de vele villa's die in deze periode langs een diverticulum, een zijweg, van de grote weg naar Augusta Treverorum (Trier) werden gebouwd - tussen Orolaunum (Aarlen) en Vicus Beda (Bitburg).

Over de eigenaars van de villa kan de archeoloog niet veel meer zeggen dan de boer. “Het blijft gissen, want we hebben geen huisraad of andere losse voorwerpen in de villa teruggevonden. Op basis van andere opgravingen van villa's in dit gebied kunnen we zeggen dat het huis werd leeggehaald en verlaten ten tijde van de Germaanse invallen aan het eind van de derde eeuw. Dat zou betekenen dat de bewoners niet lang hebben kunnen genieten van Homerus en zijn muzen: aangezien het mozaïek stilistisch verwant is aan het zwaarbeschadigde muzen-en-retorenmozaïek uit het gouverneurspaleis in Trier, nemen we aan dat het in dezelfde werkplaats is gemaakt, omstreeks het jaar 250. Het mozaïek is dus maar een generatie belopen, maar dat is niet de reden dat het er nog zo goed uitziet. Belangrijker is dat een kleine aardverschuiving er in later tijden voor gezorgd heeft dat alles onder een laagje aarde kwam te liggen.”

Als ik Krier vraag of inmiddels bekend is waar het mozaïek heen gaat, blijkt dat de verhouding tussen de gravers en de eigenaar van de grond niet optimaal is. “De heer Bossers heeft een advocaat in de arm genomen. Dat zal het er niet makkelijker op maken om tot overeenstemming te komen. Volgens de wet is hij eigenaar van het mozaïek, en mag hij het ter verkoop aanbieden - in eerste instantie aan de Staat. Maar hoe bepaal je de verkoopprijs van iets dat van letterlijk onschatbare waarde is? Een mozaïek is niet zoiets als een pot met munten: het heeft geen intrinsieke waarde, en je kunt het niet ondershands aan een rijke Amerikaan verkopen. Ook de veilingwaarde kun je niet vaststellen, want mozaïeken van dit formaat komen nooit op de markt. Dat neemt niet weg dat de Staat een onafhankelijk taxatierapport zal laten maken en de heer Bossers een redelijke prijs zal bieden - natuurlijk met aftrek van de opgravingskosten.”

En wat als Bossers weigert te verkopen omdat hij de prijs te laag vindt? “Daar schiet hij niets mee op,” zegt Krier resoluut. “De grond achter zijn stal wordt hoe dan ook tot historisch monument verklaard, en dat betekent dat hij er niets meer mee mag doen. Als hij niet verkoopt, dan rest ons maar één ding: toedekken, met net zo'n laag aarde als er de afgelopen eeuwen op heeft gelegen. Dat mag dan jammer zijn voor de kunstliefhebbers, voor het mozaïek is het de ideale conservering.”