Dit is een artikel uit het NRC-archief

Defensie

Invasie in vredestijd; Jordaniërs hebben alweer genoeg van Israelische vakantiegangers

Sinds het vredesverdrag tussen Israel en Jordanië, vorig jaar oktober, trokken al ruim tachtigduizend Israeliërs voor een reisje de Jordaan over. De meeste joden zijn lyrisch over de gastvrijheid van de Jordaniërs, maar die zijn een stuk minder enthousiast. Steeds vaker worden de Israeliërs van onbeschoftheid beticht. De vrede in praktijk.

'Jerusalaim...' Zevenenveertig Israëlische toeristen staan in een donker koningsgraf in Petra in het Hebreeuws te zingen over de omstreden stad die zij als hun hoofdstad beschouwen. Jerusalaim, -aim, -aim, galmen de muren de laatste lettergreep na. Een duidelijk upper-class Jordaans echtpaar dat net het graf in wil lopen, blijft als aan de grond genageld staan. “Zonen van een kameel, ze zingen hier over ons Jeruzalem!” vloekt de man en sleurt zijn vrouw over de oneffen stenen treden linea recta het graf weer uit. “Die joden zijn bezig bezit te nemen van heel Jordanië!”

Sinds de Israelische premier Rabin en de Jordaanse koning Hussein vorig jaar oktober het vredesverdrag tekenden, zijn er al ruim tachtigduizend Israeliërs in Jordanië met vakantie geweest. De meesten zijn lyrisch over de gastvrijheid van de Jordaniërs en als ze eenmaal over het natuurschoon of het eten beginnen, houden ze niet meer op. Maar de Jordaniërs zijn een stuk minder enthousiast. Steeds vaker hoor je ze zeggen dat de Israeliërs arrogant zijn en onbeschoft. In heel Jordanië gonst het van de verhalen dat 'de mensen met die hoefijzers op hun hoofd' (ze bedoelen keppeltjes) hotels leegroven, dat ze zomaar in korte broek moskeeën inlopen en bedoeïense souvenirverkopers het vel over de oren trekken. Hier volstrekt zich niet zomaar een culture clash.

Het begint er op te lijken dat de Israeliërs en Jordaniërs totaal verschillende opvattingen hebben over hoe twee volkeren die bijna vijftig jaar op voet van oorlog met elkaar hebben geleefd, met elkaar om moeten gaan nu het plotseling vrede is. De meeste Israeliërs willen de vrede dolgraag zelf 'consumeren'. Vrede betekent dat ze eindelijk normaal kunnen doen tegen hun oude vijand, dat er een compleet nieuw tijdperk aanbreekt. De Jordaniërs zien de vrede meer als een abstract contract tussen twee regeringen. Zij hebben geen enkele behoefte aan Israeliërs om zich heen. Voor hen is het verleden niet voorbij.

Bij de Hussein-brug, de meest noordelijke van de drie grensovergangen, zie je meteen hoe laat het is. Een jaar geleden kwamen er, zoals de Jordaniërs zeggen, 'alleen ratten en ezels' over deze smalle ijzeren brug over de rivier de Jordaan - en hoogwaardigheidsbekleders uit beide landen, maar daar wisten gewone Jordaniërs niets van. Nu staan er op een gewone donderdagochtend acht airconditioned bussen aan de Israelische kant geparkeerd. In de schaduw van de overkapping staan honderden Israeliërs, behangen met videocamera's, opgewekt te wachten tot ze door de veiligheidsdienst zijn gecheckt. Ze dragen felgekleurde honkbalpetjes van hun touroperator, zodat iedereen kan zien wie bij wie hoort. Overal hangen kleurenposters van Rabin en Hussein die het vredesakkoord tekenen. “Shalom”, staat eronder. Vrede. “Of ik het spannend vind?” vraagt een man van middelbare leeftijd die voor het eerst van zijn leven Jordaanse dinars koopt, “neu, het is toch vrede?” Op de parkeerplaats doodt een groep schoolmeisjes in aerobic-rokjes de tijd door op keiharde muziek van Madonna de jazzballet-voorstelling te repeteren die ze de volgende avond in Amman gaan opvoeren. Als ze voorover zwiepen kan je hun onderbroeken zien.

Aan de Jordaanse kant van de brug hangen geen posters. Nergens zie je het woord 'Salaam', wat in het Arabisch vrede betekent. De beambtes in de afgebladderde portocabines kunnen de drukte niet aan. Zij schrijven de gegevens uit elk paspoort met de hand over in een groot boek. De Israeliërs zitten, groep bij groep, op hun koffers in de brandende zon te zingen en elkaar te filmen. De balletmeisjes rekken en strekken aan de Jordaanse kant energiek verder. Op drie gesluierde vrouwen na, die geërgerde blikken werpen op die blote omhoogzwiepende benen, is er al die uren geen enkele Jordaniër die oversteekt naar Israel.

“Waarom hebben jullie zo'n ongelofelijke haast, impulsieve joden?” vroeg de Israelische romancier Aharon Megged in februari in een paginagroot krante-artikel aan zijn reislustige landgenoten. “Wacht nou even. Leer van hen. Kijk dan hoe koel ze zijn, hoe beheerst. Zij rennen toch ook niet naar jullie toe?” Wij zijn naief, zegt Megged drie maanden en veertigduizend toeristen verder, vanachter zijn schrijftafel in Tel Aviv. “We zijn zo gretig dat de Arabieren almaar vijandiger worden. We verpesten het voor onszelf.” Jarenlang konden de Israeliërs geen kant op - behalve de zee in. Het kosmopolitische volk bij uitstek zat opgesloten in zijn eigen landje, omsingeld door vijanden. Daardoor is het verlangen om uit te breken, om eens normaal een grens over te kunnen, waarschijnlijk in geen land zo sterk als in Israel. Daags nadat Israel in 1967 Gaza en de Westoever had veroverd, wemelde het in de souks van Palestijnse steden als Ramallah en Nablus al van de Israeliërs. Sommigen kwamen naar de Westoever omdat ze het als 'hun land' beschouwden. Maar de meesten trokken erheen uit opluchting dat ze eindelijk eens ergens anders heen konden op hun dagje uit. Er waren maar weinig Israeliërs die zich afvroegen wat de Palestijnen, die toch net een oorlog van Israel hadden verloren, daarvan vonden. Meteen na de vrede met Egypte, begin jaren tachtig, stroomden tienduizenden Israeliërs het buurland in om vakantie te vieren. Ook toen bleef de nieuwe liefde van de Israeliërs volslagen onbeantwoord. Geen Egyptenaar die een tegenbezoek bracht. De relaties met de Egyptenaren zijn vijftien jaar na dato nog steeds het best te omschrijven als 'koude vrede'. De El-Al-vliegtuigen die in Kairo landen, moeten hun logo nog steeds afplakken. Vorige week bleek uit een opiniepeiling dat 98 procent van de Egyptenaren tegen 'warme relaties' met Israel is. Met Jordanië, voorspelt Megged, gaat het dezelfde kant op.

Keuze

Veel Jordaniërs steunen het vredesakkoord omdat, ze zeggen het letterlijk, “Israel toch te sterk is om te verslaan”. If you can't beat them, join them. Dat is een verstandelijke en tegelijkertijd een negatieve keuze. Het Arabisch wereldbeeld dat bij de oorlog hoorde, verandert er niet door. Vijftig jaar lang leefden de Arabieren met het idee dat zij een aura om hun hoofd hadden en de Israeliërs horens. Israel, de bezetter van Arabisch land, belichaamde in hun ogen al het kwaad op aarde. Zij zien dat nog zo. Daarom zijn Jordaniërs soepeler voor Amerikaanse of Franse toeristen dan voor de Israeliërs. Israeliërs moeten meer fooien geven, vaker dankjewel zeggen en armen vol souvenirs mee naar huis nemen. Ze moeten elke minuut bewijzen dat ze heus niet zo slecht zijn als de Jordaniërs altijd dachten. Ze moeten boete doen. Maar dat doen ze niet, en dat maakt de Jordaniërs razend.

De Israeliërs gedragen zich net als thuis - direct en assertief. Als een Jordaniër om koffie vraagt, kleedt hij dat verzoek in met beleefdheidsfrasen waarbij hij vaak Allah aanroept en niet zelden ook de gezondheid van de ober. Maar de Israeliërs die nu massaal de hotels van Amman, Petra en Aqaba bevolken, maaien met een arm in de lucht en roepen 'koffieeeee!'. Als de airconditioning in de bus het niet doet maken ze dat luidkeels kenbaar. Als dat niets uithaalt roepen ze het nog eens, maar dan wat harder. Heel Jordanië was geschokt toen bekend werd dat een groep Israeliërs zich laatst in een hotel onuitgenodigd in een Jordaanse bruiloftsfeest had gemengd. Ze hadden van de mezze gegeten, de hapjes, en waren spontaan mee gaan dansen. Toen ze ten slotte ook de bruid op de schouders namen, had de familie de politie gebeld om de Israeliërs de zaal uit te werken .

Wat de Israeliërs ook erg kwalijk wordt genomen, is dat ze nauwelijks souvenirs kopen. “Ze zijn gierig”, zegt een oude handelaar die in de verzengende hitte in Petra met kettingen en koperwaar loopt te zeulen. Het is jammer voor deze man dat hij weinig verkoopt, zeker omdat hij in het Hebreeuws tot tien heeft leren tellen in de hoop daarmee zijn marktwaarde te verhogen. “Stein dinar!” roept hij elke keer als hij een groep Israeliërs ziet aankomen, en dan steekt hij een klein kannetje in de lucht - stein is 'twee' in het Hebreeuws. Zijn koopwaar wordt door de Palestijnen gemaakt. In Jeruzalem kun je op elke hoek van de straat precies hetzelfde kopen. Maar dat weet de handelaar natuurlijk niet.

Dat meer dan de helft van de Jordaniërs Palestijns is, maakt hun verhouding met Israeliërs extra gecompliceerd. Deze Palestijnen of hun voorouders vluchtten in 1948 of 1967 de Jordaan over. Zij hebben het Jordaanse staatsburgerschap en mogen hier stemmen, een behandeling die de Palestijnen in geen enkel ander Arabisch land ten deel is gevallen. Omdat het leven in Jordanië beter is dan op de Westoever en in Gaza, hebben de meesten de wens om naar hun 'homeland' terug te keren allang opgegeven. Maar ze identificeren zich nog altijd sterk met 'de Palestijnse zaak'. Velen hebben familie op de Westoever. Ze weten precies hoeveel nederzettingen Israel daar nog steeds bouwt en hoeveel Palestijnen er door de bommen van Hamas niet meer naar hun werk in Israel mogen.

Avondklok

De beste bakker van Amman, die in Jordanië geboren is, zegt nog steeds dat hij uit Hebron komt, een stad op de Westoever. “Elke keer als ik een Israeliër zie moet ik denken aan het huis van mijn opa in Jaffa, waar nu joden in wonen” zegt een Palestijnse vrouw van begin dertig. “Of wat mijn nichtje in Hebron doet als er weer eens avondklok is. Het gaat mij te hard met die toeristen. Ik denk dat ik er beter tegen kan als Israel de Palestijnen eens wat beter behandelt.” Deze vrouw heeft een keramiekwinkel in Ken Zameen ('De Goede Ouwe Tijd'), een beroemd oud restaurant even buiten Amman met souvenirwinkels eromheen. Ken Zameen is een vaste stop voor Israëlische toeristen. Als de keramiekverkoopster weer een volle bus het parkeerterrein op ziet draaien, gaat ze als een Cerberus middenin de winkel staan. Met de armen stevig over elkaar en de voeten licht uit elkaar geplant, houdt ze haar borden en kopjes goed in de gaten. “Ik verkoop meer dan vroeger” geeft ze toe. “Maar er is ook nog nooit zoveel gestolen als het laatste half jaar.”

Het is waar, de Israeliërs nemen veel mee. Er zijn zelfs berichten over verschenen in de Israelische kranten. De reisleiding grijpt op de heenweg in de bus speciaal de microfoon om te zeggen dat iedereen zijn minibar-rekeningen in het hotel moet betalen. “En wilt u alstublieft geen asbakken in uw koffer stoppen?” Als de Israeliërs ook maar iets zien met een Jordaans koninklijk logo erop, verzucht een hoteleigenaar in Amman, en dat zie je hier nogal vaak, steken ze het in hun zak. Die 'trofeeën' laten ze thuis zien, als bewijs dat ze echt in Jordanië zijn geweest. Deze hoteleigenaar laat zijn personeel elke dag de kamers nakijken of alles er nog is. Zo niet, dan geeft hij aan de grenspost door wat er verdwenen is. Op die manier heeft hij al veel spullen teruggekregen. Ook heeft hij faxpapier en enveloppen, die vroeger standaard in elke kamer lagen, weg laten halen. Wie een fax wil sturen, moet met de lift naar beneden om de receptionist om papier te vragen.

Als de Israelische toeristen in kleine groepjes waren gekomen, of twee aan twee, hadden de Jordaniërs misschien minder geprikkeld gereageerd. Maar ze komen in grote groepen. Het is goedkoper en bovendien geeft de Jordaanse koning elke groep voor de zekerheid politie-escorte mee. Grote groepen sluiten anderen uit. De Israeliërs komen nauwelijks in contact met de lokale bevolking, behalve met de gids, de politie-agent voorin de bus en het hotelpersoneel. Als je ze al samen ziet praten zijn de Israeliërs vaak bezig hun, op verzoek trouwens, Hebreeuwse woorden te leren. Daardoor krijgen de andere Jordaniërs helemaal het idee dat de Israeliërs niet in hen geïnteresseerd zijn. De ruime lobby van Hotel El Quds (Jeruzalem, in het Arabisch) is praktisch in blokken verdeeld. Elke Israelische groep schuift de fauteuils in een kring om bij elkaar te kunnen zitten. In Ken Zameen wurmen de Israeliërs zich met zijn vijftigen tegelijk door de deur, petjes op. Ze verdringen zich bij een tafel met Dode-Zee-zout en becommentariëren de oranje korrels in een taal waar het personeel geen woord van verstaat. In Petra werken de toeristen zich achter de gids aan door nauwe stenen gangen van de ene grot naar de andere. Ze moeten schreeuwen en duwen om elkaar niet kwijt te raken. Als ze bij het talud komen waar de paarden staan, onderhandelt de Jordaanse gids met de bedoeinenjongetjes over een ritje. Omdat het aantal toeristen in Petra het laatste half jaar is verdubbeld (het feit dat Aaron, de broer van Mozes, er begraven ligt, maakt Petra tot een Israelisch bedevaartsoord) maar het aantal paarden niet, duurt het even voor er genoeg paarden zijn voor iedereen. Intussen breekt er in een van de groepen een heftige discussie los over het veranderde leven op de kibboets. “Dit is geen toerisme meer”, vindt Ibrahim Osman, socioloog aan de Universiteit van Amman, “dit is een invasie.”

Veel Arabieren, zegt Osman, geloven dat Israel een nieuwe methode heeft gevonden om de regio te domineren: met economische in plaats van militaire oorlogsvoering. Koning Hussein 'verkocht' het vredesakkoord aan zijn volk met het argument dat het de Jordaniërs financieel beter zou gaan als ze eenmaal handel konden drijven met het veel welvarender Israel. Nu ontdekken de Jordaniërs dat Israeliërs nauwelijks in hun land investeren. Israelische produkten zijn te sophisticated voor het veel armere Jordanië. Voor Jordaanse produkten is in Israel geen markt. En wat de toeristen betreft, daar verdient de regering in Amman het meest aan. De entreekaartjes van Petra kostten vorig jaar nog vijf dinar (vijftien gulden). Nu betaal je twintig dinar, zestig gulden. De opbrengst komt direct in de staatskas terecht. Ook aan visa, toerismebelasting (tien procent voor elke hotelkamer) en grensbelasting (twintig dinar per uitgaande reiziger) strijkt de Jordaanse regering een flinke som op. Zelfs de bussen die de Israeliërs vervoeren zijn eigendom van de overheid. Op wat hoteleigenaars en gidsen na hebben veel Jordaniërs het gevoel dat ze geflest zijn met deze vrede.

Familiebezoek

Ook Jordaanse reisorganisaties kunnen hun teleurstelling moeilijk de baas. De 'boom' die ze verwachtten bleef uit: de Israeliërs boeken en betalen hun reizen in Israel. En de meeste Jordaniërs staan, typerend, niet te springen om Israel te gaan bekijken. Ze willen alleen op familiebezoek op de Westoever. Tot nu toe hebben maar zo'n duizend Jordaniërs dat kunnen doen. De Israelische veiligheidsdienst wijst de meeste verzoeken af - Jordaanse staatsburgers of niet, het gaat hier tenslotte om Palestijnen. Ook Franse en Britse toeristen, die vroeger direct naar Amman vlogen en daar een week of tien dagen bleven, spenderen minder tijd en geld in Jordanië dan vroeger. Zij boeken tegenwoordig een gecombineerde peace tour. Ze vliegen naar Israel, toeren daar rond en wippen dan een dag of twee, drie over naar Jordanië. “Ineens”, zegt Michel Abboud, een touroperator in Amman die zijn inkomsten ziet kelderen, “begrijp ik wat minister Peres wil met zijn 'nieuwe Midden-Oosten'. Ik bedoel dat plan om een gemeenschappelijke markt in de hele regio op te zetten, net als de Europese Unie. Het is goed voor Israel! Wij stomme Arabieren hebben weer het nakijken.”

Abboud wil niets meer met Israeliërs te maken hebben. De eerste groep die hij begeleidde, had voor vijftig man besproken. Er kwamen er 34 opdagen. In de bus, gaat hij met een geweldig gevoel voor drama verder, aten de toeristen hun meegebrachte broodjes op zodat een vriend van hem, die een restaurant heeft, alleen de chauffeur en de gids een maal kon voorzetten. Toen de microfoon in de bus het begaf, eiste de Israelische gids een nieuwe bus. Dat begrijp ik, had Abboud gezegd, behalve dat er in heel Jordanië maar honderdvijftig bussen rondrijden die permanent door jullie zijn volgeboekt. Toen had de gids geantwoord: “We hebben betaald voor een bus met microfoon, dus ik doe wat van de rekening af.” Na drie groepen hield Abboud het voor gezien. “Die Israelische toeristen”, zegt hij, “zijn geldwolven.”

Hoe diep het wantrouwen tegen 'de joden' zit, kunnen zelfs Amerikanen en Europeanen nu aan den lijve ondervinden. Veel Jordaniërs stellen hen plotseling eerst de vraag: “Wat voor godsdienst heeft u?” Elk antwoord is goed, zolang het maar niet in de richting komt van 'joods'. Pas dan kan de conversatie beginnen. “Als je joods was geweest”, zegt Nesreen, een 24-jarige studente Management aan de Universiteit van Amman, “had ik niet met je willen praten.” Het wordt steeds erger. De Jordaanse tandartsenbond dreigt elke tandarts die met een Israeliër in zijn stoel wordt betrapt, uit de bond te gooien. Omdat vullingen hier spotgoedkoop zijn, vroegen Israelische toeristen hun Jordaanse gids steeds vaker of hij niet een goede tandarts voor ze wist. De Artiestenbond heeft de popgroep Mirage in de ban gedaan wegens 'optreden voor de vijand'. Mirage had in maart twee concerten gegeven in Israel - op uitnodiging van Palestijnse Israeliërs nota bene. In Petra is het graf van Aaron gesloten omdat er op de muren Hebreeuwse graffiti verscheen die spoedig gezelschap kreeg van Arabische scheldwoorden. En aan de grens organiseert de Jordaanse douane soms op eigen initiatief stiptheidsacties.

De Israelische ambassade, die zelf nog altijd niemand heeft kunnen vinden om een kantoor van te huren, heeft al een dringende brief naar het ministerie van Buitenlandse Zaken in Jeruzalem gestuurd. Om de betrekkingen met het buurland niet verder te laten verzuren, wil de ambassade dat Israëlische reisorganisaties de toeristen voortaan vertellen dat ze niet naar de Costa Brava gaan, maar naar het land van de voormalige vijand waar de dingen nu eenmaal gevoelig liggen. Tot nog toe heeft het weinig uitgehaald. Bij Mazada Tours in Jeruzalem verspreiden ze nog steeds hetzelfde roze foldertje. Onder het reisschema staat in kleine lettertjes dat het verboden is draagbare telefoons mee naar Jordanië te nemen.

Geen wonder dus dat de Israelische reisleidster Efrat op de terugreis van Petra naar Amman geschrokken uitroept: “Was het pijnlijk voor de Jordaniërs dat wij in die grot over Jeruzalem zongen? De Arabieren claimen die stad ook, dat is waar. Daar had ik echt geen seconde bij stilgestaan.”