Mest voor India

Export van mest naar India is commercieel verantwoord. Volgens initiatiefnemer Hans Prins valt er rationeel ook weinig tegenin te brengen. Maar de protesten in India lijken onoverkomelijk.

Binnenkort komen de ministers Van Aartsen van Landbouw en De Boer van Milieu met hun langverwachte mestnota. De hamvraag is of de veestapel drastisch moet worden ingekrompen. Het Scheveningse bedrijf Seaswan BV biedt boeren en politici een ontsnappingsroute. Dit bedrijf wil het hele mestoverschot exporteren naar India om zo de mondiale mineralenbalans weer in evenwicht te brengen. Die is verstoord doordat ontwikkelingslanden in de vorm van veevoer nutriënten exporteren die zich in West-Europa ophopen. In de Derde Wereld leidt dat tot bodemdegradatie, in Nederland tot bodemverontreiniging. De export van mest zou zowel de problemen hier als daar kunnen terugdringen.

Ir. Hans Prins noemt zichzelf 'een commercieel verantwoorde idealist'. Hij studeerde kernfysica, maar wilde daarin niet verder gaan omdat hij 'niet gerust' was op kernenergie. Jarenlang werkte hij bij Shell, maar het werk daar bevredigde hem niet omdat het bedrijf teveel puur op winst gericht was en te weinig rekening hield met de uitputting van eindige grondstofvoorraden. Hij voelde zich aangesproken door de Club van Rome en de rapporten van Dennis Meadows over de grenzen aan de groei.

Met zijn bedrijf Seaswan BV wil Prins duurzame technologie ontwikkelen. De ideeën voor projecten bedenkt hij zelf, voor de uitwerking ervan schakelt hij anderen in. Behalve met de export van mest houdt hij zich bezig met de bescherming van olietankers tegen het verlies van olie bij calamiteiten, bodemdegradatie, organische bestrijdingsmiddelen en de toenemende waterschaarste.

Omdat hij zich sterk aangetrokken voelt tot het hindoeïsme, gaat Prins twee keer per jaar naar India. Prins: 'Ik zag dat bodemdegradatie en mesttekorten een groot probleem zijn in India. Doordat er te weinig organisch materiaal en humus in de bodem zit, kan deze minder water en nutriënten vasthouden en erodeert. Men probeert het gebrek aan nutriënten wel op te vangen met kunstmest, maar de tekorten aan micronutriënten worden daarmee niet aangevuld. Daardoor worden de planten zwakker en gevoeliger voor ziektes en insecten. Verder constateerde ik dat de mensen geen problemen hebben met het aanraken van mest. De afstand die wij daartoe in Nederland kennen, is hun vreemd. Ze koken hun eten op mestkoeken, om de mest te drogen smeren ze hem op de muur van hun huis. Als zij zo'n tekort aan mest hebben en wij zo'n overschot, waarom zou je dan geen nutriëntenstroom in omgekeerde richting op gang brengen?'

'Verder vond ik het onzin om hier in mestverwerkingsfabrieken als Promest kostbare energie te gaan verstoken om mest te drogen. Dat kan veel goedkoper in gebieden waar zonne-energie beschikbaar is. Bovendien raak je de gedroogde mest niet kwijt op onze overvoerde mestmarkt. De mest moet dan wel getransporteerd worden naar India of landen in Afrika. Dat kan met olietankers die nu leeg die kant op varen. Voor de stabiliteit nemen ze nu water als retourlading mee.'

Sceptisch

Het ministerie van Landbouw stond sceptisch tegenover het Organic Fertilizer Project van Prins. Maar omdat het ministerie er alles aan wil doen om de dreigende inkrimping van de veestapel te voorkomen (of althans die schijn wil wekken) en de mestverwerkingsfabrieken uiterst moeizaam van de grond komen, besloot het toch een subsidie van ƒ 238.971 (eenderde van de kosten) te verstrekken voor een pré-haalbaarheidsstudie. De Rabobank is een andere financier. De pré-haalbaarheidssstudie ging over inzameling, de corrosie in schepen, de olieresten in de mest, de mogelijkheden om mest te drogen in de zon, de afzetmogelijkheden in India en de aanwezigheid van ziektekiemen en onkruidzaden in de mest. Pas als de pré-haalbaarheidsstudie positief zou zijn, wilde het ministerie nadenken over de financiering van een echte haalbaarheidsstudie. De pré-haalbaarheidsstudie is uitgevoerd door drie adviesbureaus en in maart afgerond. De uitkomsten zijn positief, maar volgens Prins zoekt 'Den Haag' naar argumenten om van het project af te komen.

Omdat boeren en politici roepen dat het mestoverschot meevalt en dat bestaande initiatieven het probleem kunnen oplossen, heeft Seaswan door Heidemij Advies laten uitrekenen hoe groot het mestoverschot straks is en hoeveel daarvan de mestverwerkingsfabrieken kunnen wegwerken. Volgens Prins wordt het mestoverschot 'keer op keer kritisch herberekend en verdwijnen er iedere keer grote hoeveelheden mest'.

Volgens Heidemij Advies bedraagt het mestoverschot in het jaar 2000 8,4 miljoen ton en in 2005 5,3 miljoen. Daarbij is al rekening gehouden met strengere milieunormen en een flinke inkrimping van de veestapel. Het mestoverschot bestaat vooral uit varkensmest, omdat koeiemest op het eigen bedrijf of in eigen land afgezet kan worden, terwijl er voor kippemest goede exportmogelijkheden zijn.

Volgens Heidemij Advies is er behoefte aan 'nieuwe alternatieven, zoals het Organic Fertilizer Project, aangezien de huidige initiatieven ontoereikend zijn gezien de omvang van de problematiek'. Bestaande initiatieven komen moeizaam van de grond of verkeren nog in een proeffase.

De eerste mestverwerkingsfabriek van Promest in Helmond (met een capaciteit van 600.000 ton, maar een feitelijke verwerking van 100.000 ton) verkeerde op de rand van de afgrond en of een tweede fabriek in het Brabantse plaatsje Zeeland (capaciteit 760.000 ton) er ooit komt, is de vraag. Scarabee dat volgens een ander procedé werkt en zes fabrieken met een capaciteit van elk 275.000 ton gepland heeft, verkeert nog in een proeffase. In het gunstigste geval wordt er 2,2 tot 3,9 miljoen ton verwerkt in het jaar 2000, maar 1 miljoen ton is ook mogelijk.

Volgens Prins is er niet alleen behoefte aan meer, maar ook aan andersoortige verwerkingscapaciteit: 'Promest werkt met een uitdampingsprocedé dat veel energie kost; het natte-oxidatie-procedé van Scarabee kost minder energie, maar daarbij gaan veel waardevolle stoffen verloren.'

Het mestexportproject bestaat uit een aantal schakels. Tankauto's halen de varkensmest bij boeren op en vervoeren deze naar tankschepen of afgesloten duwbakken. De mest wordt daarin direct overgepompt zodat er geen opslagtanks nodig zijn. Gebruik van het damp-retourleidingsysteem voorkomt stankoverlast. Problemen met milieuvergunningen verwacht Heidemij Advies daarom niet.

De binnenschepen brengen de mest naar de Maasvlakte bij Rotterdam, waar deze wordt opgeslagen en gebruikt voor de produktie van biogas. Daar zitten volgens Prins drie grote voordelen aan: 'Eindelijk komt de biogasproduktie van de grond in dit land waar zoveel organisch materiaal over is. Met het gas kan een flinke elektriciteitscentrale gestookt worden. Dat betekent een besparing op fossiele brandstoffen en een verlaging van de CO-uitstoot die vergelijkbaar is met die van 250.000 auto's. Tot slot zullen tijdens het fermentatieproces ook de ziektekiemen en onkruidzaden in de mest gedood worden. Om daar honderd procent zeker van te zijn krijgt de mest nog een heat shock; gedurende twee minuten wordt hij 120 graden verwarmd.'

De vloeibare mest, die na de vergisting tamelijk reukloos geworden is en Fertilane is gaan heten, wordt vervolgens in olietankers gepompt. Men maakte zich zorgen over mogelijke corrosie in de tankers. Door ze te vullen met inert gas voordat ze volgepompt worden met Fertilane, kan volgens het Noorse adviesbureau Det Norske Veritas corrosie voorkomen worden. Tijdens het transport over zee wordt er nog voldoende biogas geproduceerd om de tanks zuurstofvrij te houden. Ook de vermenging van mest met olieresten levert volgens de Noren geen problemen op. Er blijft heel weinig olie in de tanker achter. Bovendien blijft die als een dun filmpje drijven op de mest. Vooraf en achteraf hoeven de schepen niet extra gereinigd te worden, extra investeringen in pompen zijn niet nodig.

De mest wordt aan land gebracht in Gujarat, een deelstaat in het westen van India. Twaalf kilometer uit de kust zou daarvoor bij de stad Mandvi op het schiereiland Kutch een terminal gebouwd moeten worden. Het gebied is dun bevolkt en er is genoeg grond die bovendien in handen van de staat is. Het klimaat is er gunstig voor het drogen van mest. Zo'n 300 dagen per jaar verdampt er minimaal 5 mm. vocht per dag. De vloeibare mest wordt in betonnen bakken van 100 meter doorsnee gegoten. Om de ammoniakuitstoot te beperken wordt hij besproeid met zuur. Voor het drogen van 6 miljoen ton mest zijn er 435 van deze bakken nodig. De zondrooginstallatie en het transport van gedroogde mest naar de boeren in de streek zouden 2500 arbeidsplaatsen opleveren. De vraag naar organische mest is groot in India.

Toen het project vorig jaar uitlekte, stak er in India een storm van protest op tegen de 'bruine vloed'. Protesterende boeren trokken met karren vol mest door de straten van de Indiase hoofdstad New Delhi en wilden de mest op de stoep van het parlement deponeren. Volgens de Mukhiya Gurjar, voorzitter van de Delhi Dairy Union, is er genoeg mest in India. 'Elke maand spoelt er 15.000 ton mest weg door het riool van New Delhi,' verklaarde hij tegenover de Washington Post. 'Omdat de mest het riool verstopt, wil het stadbestuur dat wij met ons vee de stad verlaten en nu wil de regering mest gaan importeren.' Gurjar en zijn collega's hebben ruim 100.000 koeien rondlopen door de straten en parken van Delhi.

Uitwas

Rajiv Vora van de Gandhi Peace Foundation heeft meer fundamentele kritiek. De mestoverschotten in Nederland noemt hij een uitwas van de Westerse cultuur, die behoefte heeft aan een 'wereldwijd toiletsysteem'. India moet volgens hem niet meewerken aan het instandhouden van de westerse vleesconsumptie en bio-industrie.

De Nederlandse milieudeskundige Thijs de la Court die in Gujarat werkt, wijst er in een recente brief aan minister Van Aartsen op dat de import van Nederlandse mest de verliezen aan organisch materiaal niet kan compenseren. De oorzaak van de bodemdegradatie ligt volgens hem in de ontwrichting van het landbouwsysteem. Het vee dat twintig jaar geleden nog de nutriënten van de graslanden naar de landbouwgebieden bracht, heeft die rol verloren door de kunstmest en de mechanisatie.

Terwijl de oorspronkelijke landbouwsystemen gericht waren op de opbouw van organische stof, gaat nu veel organisch materiaal verloren door erosie. Nederlandse mest kan die verliezen volgens De la Court niet compenseren. Een beter beheer van de graslanden, efficiëntere verwerking van de aanwezige mest, biogas en agroforestry hebben volgens hem veel meer effect. Volgens Indiase milieu- en ontwikkelingsorganisaties kan de mestproduktie flink verhoogd worden als de gedegradeerde graslanden en bossen hersteld worden. Het vee wordt dan beter gevoed, waardoor de mestproduktie van de 429 miljoen koeien en buffels binnen vijf tot tien jaar verhoogd zou kunnen worden van 575 miljoen ton tot 1.000 à 1.500 miljoen ton. De mestimport van zes miljoen noemen zij 'een druppeltje in een oceaan'.

De la Court wijst er verder op dat de kleine boeren die het meest te lijden hebben van bodemdegradatie, de mest niet kunnen betalen. Acceptatie van mest uit Nederland is volgens hem onwaarschijnlijk na de politieke aardverschuiving in Gujarat waar de nationalistische hindoepartij een grote overwinning boekte. De bevolking denkt dat Nederland de mest wil dumpen. Een serieus debat is volgens De la Court een illusie. Zelf heeft hij een ontmoeting georganiseerd tussen Prins en 35 leidende maatschappelijke organisaties. Unaniem wezen zij het plan af in een volgens De la Court 'open debat waarin de regels van hoor en wederhoor nauwlettend werden toegepast'.

Als overtuigd vegetariër en sympathisant van het hindoeïsme, klinken deze bezwaren Prins bekend in de oren. Toch pleit hij voor een discussie op basis van feiten in plaats van emoties. Hij vindt het gesleep met nutriënten over de aardbol een slechte zaak, hij vindt dat de veestapel in Nederland ingekrompen moet worden en dat India zijn eigen mestinzameling moet verbeteren. Maar hij vindt ook dat we niet om een aantal realiteiten heen kunnen. 'Door het GATT-akkoord, dat misschien wel een milieuramp voor deze planeet is maar op korte termijn niet terug te draaien is, zullen ontwikkelingslanden hun uitvoer van landbouwprodukten naar de Europese Unie sterk opvoeren. De uitvoer van nutriënten zal nog vele jaren doorgaan. De veestapel in Nederland moet ingekrompen worden, maar je kunt niet ineens duizenden boerenbedrijven opdoeken. Dat vind ik, al ben ik vegetariër, onverantwoordelijk gedrag. Bovendien verspreiden de dieren zich dan over Europa, want de vraag naar vlees blijft en zal door de welvaartsgroei nog verder stijgen. Als de dieren naar Noord-Frankrijk en andere streken verhuizen, blijven de nutriënten zich in Europa ophopen. Er is dan alleen geen gelegenheid meer om ze netjes terug te brengen. Daarom ben ik voor een concentratie van een ecologisch verantwoorde veehouderij in de delta van Maas en Rijn dichtbij Rotterdam.'