Het recht van vergadering is niet iedereen gegund

De Nederlandse regering, duidelijk verrast door de boze reactie van de Turkse regering op de oprichting van het Koerdisch parlement in ballingschap, moest goede argumenten zoeken ter legitimering van haar (niet-) handelen. Zij heeft toen gegrepen naar de artikelen 21 en 22 van de grondwet (het recht van vreedzame vergadering en van vrijheid van vereniging), wat ik kan begrijpen. Wat mij echter te ver gaat, is dat er vervolgens wetenschappers zijn die zich pal achter de regering stellen en zinnen schrijven als deze: 'Terecht is ervoor gekozen ook bij enige tegenwind geen uitverkoop van rechtsstatelijke principes te houden' (W.J.M. van Genugten in NRC Handelsblad van 29 april). Dan wordt het tijd twee recente voorvallen in herinnering te roepen waarbij de beide grondwetsartikelen ook in het geding waren, en toen de regering er op geheel andere wijze mee is omgesprongen.

Het ene voorval betrof de voormalige Surinaamse legerbevelhebber Desi Bouterse, die vrij plotseling en in gezelschap van de Surinaamse president Shankar op 22 december 1990 op Schiphol landde. Bouterse wilde een vergadering beleggen met leden van het Surinaams verzet tegen zijn regime in Nederland. Hij streefde een verzoening met dat verzet na en op deze wijze dacht hij een eind te kunnen maken aan de binnenlandse oorlog met het junglecommando, dat vanuit Nederland werd gevoed. De ex-bevelhebber hoopte op deze wijze de reeds geplande verkiezingen te kunnen winnen zodat hij zijn machtspositie op democratische wijze kon legitimeren.

Het Nederlandse beleid echter was (en is) erop gericht te verhinderen dat de ex-legerbevelhebber ooit nog politieke- of militaire macht in Suriname verkrijgt. Aan Bouterse werd de toegang tot Nederland geweigerd. Interventie van de Surinaamse president Shankar bij de Nederlandse regering haalde niets uit. De geplande 'vreedzame vergadering' werd toen verplaatst naar de transitruimte van Schiphol. Voor aanvang werd de legerbevelhebber echter op last van het ministerie van justitie overgebracht naar een 'niet voor het publiek toegankelijk gedeelte' van de transitruimte. Een van de uitgenodigden voor de vreedzame vergadering, de onlangs overleden 'grootmoeder van de Surinaamse revolutie', Denise de Hart, nam dat niet en zij daagde de Staat, het ministerie van buitenlandse zaken en dat van justitie, in kort geding voor de rechter. Ze eiste, zich beroepend op dezelfde artikelen van de grondwet als die waar de Nederlandse regering zich in haar conflict met de Turkse regering op beroept, opheffing van alle beperkingen waardoor haar grondwettelijk recht op vergadering illusoir werd gemaakt.

De president van de Haarlemse rechtbank stelde de Staat echter over de hele linie in het gelijk. Hij honoreerde het verweer van de minister van buitenlandse zaken die had gesteld aan een zo controversiële figuur als Bouterse wegens gevaar van verstoring van de openbare orde geen visum te kunnen verstrekken. Onder erkenning dat het recht op vergadering De Hart toekwam, overwoog de president dat 'onder de gegeven omstandigheden' (de visumweigering) het recht van vergadering 'niet onnodig' wordt verijdeld. 'Dat recht', overwoog de President verder, 'houdt niet in dat eiseres onder alle (mijn curs., H) omstandigheden en op de wijze als door haar verlangd met Bouterse moet kunnen spreken. Er zijn echter alternatieven voor haar denkbaar - bijvoorbeeld in Suriname - om met Bouterse in contact te treden teneinde het respectabele doel dat zij zich daarbij stelt te bereiken. Dat geldt evenzeer voor Bouterse'. Een Nederlandse staatsburgeres (Denise de Hart bezat de Nederlandse nationaliteit!) en Bouterse kregen van de rechter dus te horen dat hun recht op vergaderen in Nederland wel wordt erkend, maar dat, daar Bouterse geen visum kreeg voor Nederland, zij dat recht maar in het buitenland moesten uitoefenen!

Dit incident had grote gevolgen voor het democratiseringsproces in Suriname. In Suriname teruggekeerd pleegde Bouterse namelijk zijn tweede 'staatsgreep'. De burgerregering werd telefonisch verzocht haar biezen te pakken aan welk verzoek de regering ijlings voldeed (de zogenoemde 'telefooncoup' van 1991) en de geplande verkiezingen werden voor twee jaar uitgesteld.

Het tweede voorval speelde zich een jaar later af. Bouterse bleef vasthouden aan de 'nationale verzoening' en stuurde voor het bereiken van dit doel zijn vertrouweling, de voormalige ambassadeur in Nederland, Henk Herrenberg, op pad. Anders dan Bouterse kreeg deze wel legaal toegang tot Nederland, namelijk op grond van een door de Belgische regering aan hem afgegeven Beneluxvisum, geldig voor het Beneluxgebied. Een vergadering werd uitgeschreven in het Surinaams Consulaat te Amsterdam, dus eigenlijk niet eens op Nederlands grondgebied. Toen echter de ex-ambassadeur in een van diplomatiek kenteken voorziene auto van de Surinaamse ambassade arriveerde, werd de auto vlak voor het consulaatsgebouw door vijf politieauto's klemgereden. De ex-ambassadeur werd uit de auto gesleurd en voor de ogen van de leden van het Surinaams verzet, die in het consulaatsgebouw aan het voorvergaderen waren, werd de ex-ambassadeur afgevoerd.

Van verdere pogingen zich met het verzet te verzoenen heeft de ex-legerbevelhebber toen maar afgezien. De 'oude' politieke partijen, die de ex-bevelhebber met zijn staatsgreep aan de kant had gezet, en die Nederland weer in het zadel wilde helpen, sloten toen vrede met het junglecommando waardoor er een eind kwam aan de 'binnenlandse oorlog'. Deze partijen hebben toen de verkiezingen gewonnen. Maar opvallend was toch dat Bouterse erin slaagde 12 van de 54 zetels in het Surinaamse parlement te verwerven.

De incidenten met Bouterse en Herrenberg hebben destijds zeer veel publiciteit getrokken. Toch heeft geen wetenschapper of parlementslid, die in het conflict met Turkije nu zo hartstochtelijk het beroep dat Nederland doet op de grondwet verdedigt, zich geroepen gevoeld een stem te laten horen.

Dus zou het hun en ook de Nederlandse regering sieren in het conflict met Turkije minder hoog van de toren te blazen. Ook past Nederland meer bescheidenheid, een bescheidenheid die niet blijkt uit het uitspreken van zulke pathethische woorden, zoals 'Ik ga niet terug kruipen. We hoeven ons nergens voor te schamen' (minister Van Mierlo bij het verdedigen van zijn beleid in de Tweede Kamer) en het neerpennen van zulke volzinnen als die van de heer Van Genugten in NRC Handelsblad.

Als Nedeland er belang bij heeft, blijkt uit de gevallen Bouterse/Herrenberg, kan op een wijze die de rechterlijke toetsing glansrijk kan doorstaan heel wat 'creatiever' met de grondwettelijk gegarandeerde rechten van vereniging en vergadering worden omgesprongen. En volgens mij had Turkije dat van mede-NAVO-lidstaat Nederland ook wel verwacht. De Verenigde Staten trouwens ook.