Woordenboek van de bezetting

Geraadpleegd o.a.:

G.L. van Lennep: Verklarend oorlogswoordenboek. Bert Bakker, 1988

Dick Verkijk: Radio Hilversum 1940-1945. De Arbeiderspers, 1974

Evert Werkman, Madelon de Keizer en Gert Jan van Setten: Dat kan ons niet gebeuren... De Bezige Bij, 1980

Ariër. Aanduiding voor 'niet te zijn joods of joods-vermaagschapte persoon', bedoeld om de joden te isoleren. Als uit een bedrijf of instelling de joden werden verwijderd, was er sprake van arisering.

Bewariër. Sarcastische bijnaam voor niet-joden, vaak buren bij wie joodse bezittingen waren ondergebracht. Sommigen weigerden ze na de oorlog terug te geven aan eigenaren die het hadden overleefd. Netty Rosenfeld vertelde kortgeleden in de documentaire Vrede, godverdomme, vrede dat ze de tapijten van haar vermoorde ouders terug wilde hebben en van haar vroegere buren te horen kreeg dat die er niet meer waren, terwijl ze het tapijt op de vloer in de zitkamer duidelijk herkende.

Buk-shag. Het bukkend vergaren van sigarettepeuken op straat, teneinde uit een paar peuken weer één nieuwe sigaret te kunnen samenstellen. “Mannen, die peukjes van sigaren en sigaretten van de straat oprapen, zijn geen zeldzaam verschijnsel”, aldus een oorlogsfoldertje. Tabak was schaars en op de bon; wat nog in de handel was, droeg omineuze namen als Amateurstabak, Remplaçant of 'Edel-assortie van eigen bodem'.

Driehoekje. Insigne van NSB-leden, voor de rest van de bevolking het sein om op te passen en niets Duits-vijandigs te zeggen of te doen. Het verraderlijke was alleen dat sommige NSB'ers het aan de binnenkant van hun revers droegen en het pas lieten zien als iemand al over de schreef was gegaan. In een liedje uit het cabaret De Watergeus van het clandestien beluisterde Radio Oranje werd de jodenster aangeduid als 'twee driehoekjes door elkaar'.

Fout. Verzamelterm voor iedereen die aan de kant van de bezetter stond. Dat waren er velen, maar ze vormden een minderheid en werden door de rest van de bevolking met de nek aangezien. Zelfs in de NSB-krant Volk en Vaderland van 17 januari 1941 werd dat openlijk beaamd: “Wie lid is van de NSB heeft zo langzamerhand wel gemerkt, dat hij nu juist geen persona grata bij de overige bevolking van Nederland is. Men schuwt hem, benadeelt hem zo veel mogelijk in zijn zaken, tracht hem te wippen uit colleges en commissies, maakt hem verdacht op zedelijk gebied, stelt hem voor als landverrader of werpt hem ten prooi aan lach- of spotlust.”

Goed. Aanduiding voor landgenoten die 'te vertrouwen' waren en dus niemand zouden verraden. Maar hoe kon men precies weten wie goed was en wie fout? Voorzichtigheid bleef geboden.

Hamsteren. Het aanleggen van een voorraad levensmiddelen in het begin van de oorlog, om voorbereid te zijn op de onzekere toekomst. “Doe weg die fles met olie / doe weg die zak met meel! / We hoeven niet te hamsteren / er is nog reuze veel!” zong het populaire duo Johnny & Jones nog in de zomer van 1940. Ze kwamen om in het voorjaar van 1945 in Bergen Belsen.

Melden. Veelomvattend werkwoord, want er moest heel wat worden gemeld. Joden moesten zich aanmelden voor transport, kunstenaars moesten zich melden bij de Kultuurkamer, jongemannen moesten zich melden voor de Arbeidsinzet, gedwongen werk in Duitsland. Naarmate de bezetting langer duurde, moesten meer mannen zich melden. “Meld je niet!” riep een clandestien vlugschrift in januari 1945. “Laat je niet pakken, voor den donder! Wees een vent, en duik onder!!”

Noodkachel. Allesbrander, een plaatijzeren cilinder met een paar trekgaten aan de onderkant, waarin ten tijde van de kolenschaarste àlles kon worden opgestookt: papier, hout, boomtakjes, bielzen uit de tramrails.

Organiseren. Verzamelterm voor het bemachtigen van voedings- en genotsmiddelen, materialen en andere zaken buiten het officiële circuit om. Enigszins te vergelijken met het huidige scoren.

Persoonsbewijs. Verplichte identiteitskaart, naar een ontwerp van de plichtsgetrouwe topambtenaar J.L. Lentz. Ook bekend als P.B. of Ausweis. Bij joden werd er een grote zwarte J in gestempeld.

Pulsen. Het leeghalen van woningen die aan weggevoerde joden toebehoorden, in Amsterdam en omstreken beoefend door het grote verhuis- en transportbedrijf van de NSB'er Abraham Puls. De inboedels werden naar Duitsland vervoerd, maar voor Puls en de zijnen bleef er heel wat over. Bij zijn arrestatie, op 7 mei 1945, had de man drie ton op zijn bankrekeningen staan.

Spertijd. Wisselende tijdstippen, waarop niemand zich op straat mocht vertonen zonder uitdrukkelijke toestemming. Altijd 's nachts, vaak ook 's avonds na 8 uur. Het hunkerende Als sterren flonk'rend aan de hemel staan was dan ook een populair liedje in die tijd: geen mens mocht buiten naar de sterren kijken.

Surrogaat. Al of niet openlijke namaak van echte produkten die niet langer verkrijgbaar waren: Fama-koffie van Douwe Egberts, Santé-thee, Calvé-Wit ('het nieuwe schuimvormende product'), Slavita-slasaus en nog veel meer.

Vooroorlogs. Aanprijzing voor produkten die nog vóór de oorlog waren gemaakt. Vooroorlogse kwaliteit betekende: heel wat beter dan wat tijdens de bezetting met schaarse middelen werd gefabriceerd.

Winterhulp. Liefdadigheidsorganisatie van Duitse makelij, dus vooral opgezet met propagandistische bedoelingen. Nadat de eerste collecte (najaar 1940) nog ƒ 520.000 had opgeleverd, zakten animo en opbrengst al snel. Het devies luidde: “Zelfs de knopen van mijn gulp zijn nog te goed voor Winterhulp!” Of, met verwijzing naar de Duits-vriendelijke directeur Carel Piek: “Geen piek voor Piek!”

Worteltje boven. Voorzichtig alternatief voor Oranje boven, al snel spottend aangeheven door NSB'ers om de meerderheid van koningsgezinde landgenoten belachelijk te maken. Het werd de vaste, quasi-dappere openingskreet van het parodistische duo Keuvel en Klessebes, de twee zogenaamde anti's (tegenstanders van de Nieuwe Orde) uit het foute Zondagmiddagcabaret van Paulus de Ruiter: “Worteltje boven, juffrouw Klessebes!” “Worteltje boven, meneer Keuvel!”

Zuivering. De naoorlogse poging om alle instanties, vakgroepen en bedrijfstakken te ontdoen van collaborateurs. Met de beste bedoelingen, maar vaak op basis van willekeur en te weinig kennis over ieders oorlogsgedragingen. “Ben je al gezuiverd / als 't water uit de kraan? / Kleeft niet in je geweten / 'n onzuiverheidje aan?” luidde een populair refreintje uit de zomer van 1945.