W.F. Hermans

Af en toe overkwam het me dat ik iets van of over iemand las en dan dacht: die wil ik ontmoeten. De laatste tijd overkomt me meer het tegendeel. Toen, een jaar of 45 geleden, las ik in een literair tijdschrift een polemisch stukje tegen C. Buddingh' dat ondertekend was door Willem Frederik Hermans. Van Buddingh' had ik nooit gehoord en evenmin van Hermans. Terwijl ik las maakten mijn hersens halt, rechtsomkeerd en deden het traject nog eens. Zulke zinnen had ik nog nooit gelezen. Die bevielen me. Er zat een verrassing in, een nauwkeurigheid en vrolijkheid en nog iets meer dat ik later, bij gebrek aan beter, de herkenning van de absurditeit ben gaan noemen. Het klinkt te wetenschappelijk, het is zo'n definitie waarbij het verschijnsel sterft onder zijn beschrijving, maar zo was het en zo is het altijd gebleven. Er is geen ander Nederlands proza dat zo nauwkeurig en muzikaal is, en zo geladen met het besef van absurditeit, of van tijd tot tijd zich laat kennen door 'die onnavolgbare toets van krankzinnigheid'. (Zo citeert Hermans in zijn Preambule tot Paranoia een niet met name genoemde criticus). Ik raakte er verslaafd aan. Altijd ergens de verrassing.

Degene die dat schreef wilde ik ontmoeten. Ik zag hem voor het eerst tegen het einde van de jaren vijftig op De Kring. Hij zat aan de bar. Het was in de tijd dat hij onder de imprint van De Mandarijnenpers de eerste Mandarijnen op zwavelzuur de wereld instuurde. Ik had in eigen beheer een politiek pamflet van opruiende strekking rondgestuurd, onder anderen aan hem. De kruk naast hem was vrij. Ik maakte me bekend, we raakten in gesprek en ten slotte pakte hij een servetje, schreef daarop: “Maak mandarijnen van Hiltermann, V. Blankenstein, Lunshof. Mijn fiat. Hermans.” Dat heb ik nooit gedaan. Wel raakten we beter met elkaar bekend, vervolgens bevriend, daarna vond hij dat ik hem in de steek had gelaten en ten slotte zijn we toch weer goede bekenden geworden. Het is allemaal te persoonlijk om aan de grote klok te hangen.

Woonde hij toen al in Groningen? In ieder geval kort daarna. Eén keer in de maand stapte ik 's ochtends om een uur of negen in mijn auto en reed naar hem toe. Het einde van het traject langs de Drentse hoofdvaart, bij café De Oude Veenhoop de brug over, de buitenwijken van Groningen en eindelijk het huis aan de Spilsluizen 17a. We gingen naar zijn kamer, hij verklaarde me de geheimen van het surrealisme, we bekeken stereoscopische foto's, hij zei me de waarheid over mijn schrijverijen en dan was het tijd voor het boterhammetje. Emmy, zijn vrouw, had de tafel gedekt, Ruprecht was uit school gekomen en dan hadden we het vredigste middagmaal dat ik buitenshuis heb gegeten.

Er ontstond een correspondentie. Ik ken geen briefschrijver die me uitvoeriger, zorgvuldiger en onbaatzuchtiger heeft behandeld. Zijn brieven zijn wonderen van toewijding. Hij stelde verbeteringen voor op wat ik had geschreven, hij wist onmetelijk veel meer dan ik en terwijl hij vertelde liet hij dat niet merken. Toen ik eens iets wist wat hij wilde gebruiken, kreeg ik een brief waarin hij mijn toestemming vroeg.

Vaak hebben zijn brieven me aan het lachen gemaakt. Zelfs nu ik dit schrijf en me passages herinner schiet ik in de lach; maar omdat ze gaan over mensen met wie we allebei weinig op hadden en van wie er veel nog leven en lezen, treed ik nu maar niet in bijzonderheden. Wat hij stuurde was vaak versierd met collages en een enkele keer zat er alleen een collage in de post. Zelfgemaakte presentjes, vooral handwerk heb ik altijd als de beste bewijzen van genegenheid beschouwd.

De familie verhuisde van de Spilsluizen naar de Julianalaan in Haren, een groot huis met een tuin. Ik ging naar zijn verjaardag, 1 september, dat jaar buitengewoon warm. Ik belde aan; geen reactie. Ik liep langs het tuinhek en daar zag ik aan de achterkant van het huis de schrijver zitten. Ik dacht: een verrassing uit de struiken, klom over het hek en naderde behoedzaam om, wat dichterbij gekomen, me met zachte diergeluiden aan te kondigen. Willem Frederik Hermans sliep. Er liep een vlieg over zijn neus. Ik heb de vlieg weggejaagd, ben via de klim over het hek weer naar de voordeur gegaan, heb opnieuw gebeld en toen werd er wel opengedaan.

Aan dit stukje ben ik begonnen op donderdagavond. Alle nieuwsuitzendingen hebben als eerste nieuws zijn dood gemeld. Op RTL4 gaf Martin Ros binnen een paar minuten een uitstekende kenschets van zijn oeuvre. De BRT had een ontroerende reeks foto's en liet er geen misverstand over bestaan dat het leven in België hem beter beviel dan in Nederland. Het NOS-journaal was op het idee gekomen, de overgebleven 'grote twee' naar hun reactie te vragen. Dat was onthullend. Nooit heb ik zo'n treurig, verachtelijk in memoriam gehoord of gelezen als dat van Gerard Reve. Het is waar wat W.F. Hermans jaren geleden zich eens over hem heeft laten ontvallen: geworden tot een kwiebus, een paljas.

In het ochtendblad van vrijdag lees ik een in memoriam en nog een lang verhaal over de schrijver en zijn werk. Vrijwel alles gaat over zijn wapenfeiten als 'genadeloos polemist'. Bijna niets over zijn mensenkennis, melancholie, medelijden, gevoel voor het komische, rechtvaardigheid, ongelofelijke energie, vrolijkheid, tragiek op de grens van melodrama - allemaal in ruime mate in zijn oeuvre te vinden. Terwijl ik me dit bedenk en zit op te schrijven schiet het me te binnen dat ik nog wel eens naar Groningen zou willen, toen. Willem Frederik Hermans was behalve genie een zeer moedige, eerlijke en aardige man en een vriend, veeleisend zoals het hoort.