Verraad

AUKE KOK: De verrader. Leven en dood van Anton van der Waals

335 blz., geïll., Arbeiderspers 1995, ƒ 39,90

Het moest een leesboek worden. Het bronnenmateriaal waarop historicus en journalist Auke Kok zijn boek De verrader heeft gebaseerd staan achterin, per hoofdstuk gerangschikt. Een prima besluit, want wie aan dit boek begint wil al na een paar bladzijden niet gestoord worden door een regen van verwijzingen. Het is een leesboek in de goede zin des woords: meeslepend, goed geschreven, bij tijd en wijle adembenemend. In het woord vooraf schrijft hij dat hem de afgelopen jaren vaak de vraag is gesteld 'Waarom in 's hemelsnaam een boek over die engerd?' Over die Vertrauensmann (V-mann) die met wisselende vermommingen en onder een groot aantal schuilnamen een spoor van vernieling had getrokken in de wereld van de illegaliteit. Omdat zijn leven, zijn verraderswerk, zijn verblijf in Duitsland na de oorlog en zijn uiteindelijke veroordeling tot de doodstraf door het Bijzonder Gerechtshof in Den Haag, het verdienen beschreven en gepubliceerd te worden, was het antwoord van Kok die met zijn boek heeft willen voorkomen dat Van der Waals voorgoed in de vergetelheid zou geraken.

Antonius van der Waals werd op 11 oktober 1912 geboren in Rotterdam. Een nakomertje waarop niet meer was gerekend. Er zaten vier kinderen boven hem, van wie de jongste acht en de oudste 15 was. Tom, zoals zijn roepnaam luidde, ontpopte zich als een bangelijk kind, zonder veel vriendjes maar in de hoogte gestoken door zijn ouders die, omdat het op school niet slecht ging met hun jongste, in de veronderstelling verkeerden met een genie van doen te hebben. Zijn latere schoolprestaties wezen evenwel anders uit - de schoolcarrière van Van der Waals eindigde in februari 1932, na een vijf maanden durend verblijf op de Dordtse ambachtsschool. Hij stortte zich op het repareren van radio's - een grote liefde. Trouwde op zijn 22ste en had alleen de naam verworven een handige vogel te zijn.

Bij het uitbreken van de oorlog had Van der Waals een baan als elektromonteur. Niet slecht maar hij wilde meer. “Hij wilde belangrijk zijn.” Hij probeerde op alle mogelijke manieren twee uitvindingen, waarvan niemand wist hoe hij er aan gekomen was, aan de man brengen. Kok beschrijft op bijna thrillerachtige wijze hoe Van der Waals zijn 'patenten' gebruikte voor contacten met het verzet, de NSB en het Duitse leger. Listig wist hij zich overal binnen te praten en vertrouwen te winnen. Aanvankelijk speelde hij zijn informatie door aan de chef van de Aussenstelle van de SD in Rotterdam, Möller. Maar die deed volgens Van der Waals te weinig met zijn informatie en hij, die belangrijk wilde zijn, dacht er beter aan te doen voor het hoofdkwartier in Den Haag te gaan werken. De daar zetelende Kriminaldirektor Joseph Schreieder zag tijdens hun eerste ontmoeting dat Van der Waals de ideale V-Mann was: “iemand die zonder werk zat, en zich nauwelijks gebonden achtte aan vrouw of familie. Bovendien leek Van der Waals snel een wending te kunnen geven als het een kant opging die hij onaangenaam vond, bijvoorbeeld als het over zijn echtgenote ging (met wie hij problemen had), en hij leek omhoog te willen”, schrijft Kok op pagina 59.

In de vele daarop volgende pagina's beschrijft hij minutieus hoe Van der Waals zijn opdrachten uitvoerde, hoe hij zich als een kameleon aanpaste aan zijn omgeving, hoe hij valstrikken bedacht en uitzette, hoe hij de ene na de andere verzetsgroep infilteerde, ook de groep-Vorrink, en illegale werkers in handen van de Duitsers speelde. Voor hen die de oorlog niet hebben meegemaakt is het een bijna onwaarschijnlijk verhaal. “Zelfs zijn bewering dat hij een neef was van minister-president Gerbrandy wekte geen argwaan, hooguit enig ongeloof.”

Na Dolle Dinsdag zocht Van der Waals zijn toevlucht in het noorden. Na de bevrijding meldde hij zich als 'Joop van der Meer' in Groningen bij een post van de Field Security - alles was beter dan om in handen te vallen van de Binnenlandse Strijdkrachten. De Canadezen brachten hem over naar een kamp bij Deventer. Daar werd hij verhoord door William Pidcock, commandant van de Nederlandse unit van de Special Counter Intelligence. Pidcock rekruteerde mensen voor de contraspionage in Duitsland. Net als eerder Schreieder dacht nu Pidcock dat hij de ideale man gevonden had: “iemand die wist dat werken voor de Britse contraspionage zijn enige kans was om het vege lijf te redden, en van wie enige vorm van desertie dus niet viel te verwachten.”

Van der Waals moest nog wel geruisloos over de grens verdwijnen. En niets of niemand minder dan het Bureau Nationale Veiligheid en het hoofd daarvan, L. Einthoven, zorgde daarvoor - terwijl datzelfde bureau met de opsporing van Van der Waals was belast. In Nederland gingen de speurtochten naar Van der Waals onverminderd door en liepen natuurlijk allemaal dood, want de gezochte bevond zich allang in Duitsland.

In juli 1946 ontving Einthoven, die erg onder druk stond om Van der Waals op te sporen, een briefje uit Duitsland dat ergens halverwege Hamburg en Hannover ene Wilhelm Hoffmann gevangen zat. Na uitvoerig onderzoek was komen vast te staan dat het om Van der Waals ging. Twee maanden later werd hij door de militaire politie opgehaald en overgebracht naar het Huis van Bewaring in Rotterdam. Uiteindelijk veroordeeld door het Bijzondere Gerechtshof werd hij, nadat alle rechtsmiddelen waren uitgeput, in de ochtend van 26 januari 1950 op de Waalsdorpervlakte geëxecuteerd.