Verdrag moet ook 'paria-landen' gifgas onthouden

IEPEREN, 29 APRIL. In de glooiende velden van West-Vlaanderen staat een betonnen zuil. De top van het monument voor de Tweede Slag van Ieperen eindigt in de torso van een soldaat. Een meisje staat met gebogen hoofd even stil. Drie veteranen van een jongere Wereldoorlog houden aan weerszijden een vaandel vast. Er is niemand meer die zich de aangolvende wolken geel-groen chloorgas op die “glorious spring day” van 22 april 1915 nog uit eigen waarneming kan herinneren.

Het gifgas dat Duitsland hier tachtig jaar geleden losliet - de eerste poging in de geschiedenis om een militaire tegenstander met chemicaliën te verdelgen - is de raison d'être van de groep internationale diplomaten die voor deze herdenking per bus vanuit Den Haag naar Ieperen is gereisd. Zij moeten voorkomen dat chemische wapens ooit nog worden gebruikt.

“Onze aanwezigheid in Ieperen zal onze vastbeslotenheid verhogen om onze taak, het uitbannen van chemische wapens, zo snel mogelijk ten uitvoer te brengen”, zegt Ian Kenyon, secretaris van de Voorbereidingscommissie voor de Organisatie voor het Verbod op Chemische Wapens (OVCW). Die organisatie moet de naleving van de in 1993 gesloten Conventie tegen Chemische Wapens (CWC) controleren. Maar zover is het nog niet. Want het verdrag kan pas in werking treden zodra ook de parlementen van 65 landen het hebben goedgekeurd. Nog maar 27 van de 159 landen die de CWC hebben getekend, hebben ook die beslissende tweede stap genomen. En zelfs dan zullen er praktische hindernissen blijven.

Bij Ieperen lag de 87ste divisie van de Franse Territoriales, oudere soldaten met een praktische inslag. 's Nachts, als het trommelvuur was afgelopen, zochten ze hun Duitse collega's aan de andere kant van de loopgraven op om wat handel te drijven. Gasmaskers behoorden nog niet tot de standaarduitrusting. In de maand die de Tweede Slag van Ieperen zou duren vielen aan geallieerde zijde zeker zestigduizend doden. Het Duitse leger boekte een terreinwinst van enkele kilometers. Mosterdgas - een kleurloze, olieachtige vloeistof met een lichte knoflookgeur, effectiever dan chloor - zou voortaan yperiet heten.

Gifgas is noch in de Eerste Wereldoorlog, noch in een latere oorlog doorslaggevend geweest. Het wekte vooral weerzin op. In 1925 werd in het Protocol van Genève over Oorlogsvoering met Gifgassen een verbod op het gebruik van gifgassen opgenomen. Dat heeft landen als de VS, Rusland, Duitsland, Groot-Brittannië, Japan, China en Frankrijk er niet van weerhouden ook daarna grote hoeveelheden gifgassen aan te leggen.

Maar de 'chemische wapenwedloop' door de grote mogendheden lijkt ten slotte voorbij. Na een kwart eeuw van onderhandelingen, die na het eind van de Koude Oorlog in een stroomversnelling raakten, kwam in 1993 de Conventie tegen Chemische Wapens tot stand die een algeheel verbod op produktie en bezit inhoudt. Het Haagse bureau moet de erfenis definitief afwikkelen.

Het wachten blijft echter nog op de benodigde 65 ratificaties. Van de grote westerse landen hebben tot dusver alleen Frankrijk en Duitsland dat gedaan. Volgens de Amerikaanse vertegenwoordiger bij de Haagse commissie, Robert Mikulak, zullen de VS deze zomer ratificeren. Zijn Russische collega Sergei Kisselev zegt dat het Russische parlement hetzelfde zal doen.

Dat zal naar men hoopt meer landen over de streep trekken, al was het maar omdat het voor een land ook van commercieel belang is vanaf het begin bij de uitvoering betrokken te zijn. Dat zal de bonafide handel in chemische produkten vergemakkelijken.

“De wil om als paria bekend te staan is gering”, aldus de polemoog Ph. Everts van het Instituut voor Internationale Studiën in Leiden. “Ook de groei van het aantal kernmachten is dankzij het Non-proliferatieverdrag (NPV) tegen verspreiding van kernwapens veel lager gebleven dan na de Tweede Wereldoorlog werd verwacht”, zegt hij.

Daar staat tegenover dat landen als Noord-Korea, Libië, Irak, Libanon, Egypte, Syrië en Jordanië het verdrag niet hebben getekend. Juist onder deze landen bevinden zich ook degene die er geen been in zagen om gifgas in te zetten wanneer het ze uitkwam. Egypte gebruikte het in de Jemenitische burgeroorlog (1962-'69), Irak tegen de Koerden (1988) en tijdens de 'Eerste' Golfoorlog (1980-89) met Iran. Boven de 'Tweede' oorlog in de Golf (eind '90 en begin '91) hing voortdurend de dreiging dat Irak chemische wapens zou inzetten. VN-teams troffen in de woestijn grote hoeveelheden gereedliggende mosterdgasgranaten aan.

Voor de 'paria's' wordt het echter steeds moeilijker een grote chemische industrie in stand te houden, of handel in chemische produkten te drijven. Het Instituut voor Internationaal Vredesonderzoek SIPRI in Stockholm wijst erop dat deze landen “zorgvuldig de veranderingen zouden moeten bestuderen die het verdrag inhoudt in de vorm van handelsbeperkingen en zelfs politieke isolatie.”

De CWC bant niet alleen de chemische wapens uit, maar regelt ook de produktie van en handel in stoffen waaruit na een of meer bewerkingen gifgas is te maken. De chemische industrie zal over deze produkten uitgebreide informatie moeten verstrekken aan de organisatie. Als een land een andere partij bij het verdrag niet vertrouwt, kan het 'Den Haag' vragen om in dat land een inspectie uit te voeren: een zogenaamde 'uitdagings-inspectie', een nieuw fenomeen in een internationaal ontwapeningsverdrag. Wie partij is bij het verdrag moet aan een dergelijke inspectie meewerken. Zo niet, dan kan de organisatie zelf maatregelen nemen, zoals een handelsembargo voor chemische produkten.

“Ik hoop dat landen snel zullen wennen aan zulke inspecties en het niet meteen als een diplomatieke belediging zullen opvatten”, zegt J. Ooms, chemicus bij TNO in Delft en wetenschappelijk adviseur van het Nederlandse ministerie van buitenlandse zaken. Hij heeft voor Nederland 23 jaar in Genève onderhandeld. Ooms hoopt ook dat er snel een “open discussie” komt binnen de OVCW over het bijhouden van de lijsten van chemische produkten, zodat potentiële gifgassen snel worden opgenomen.

Op verzoek van de Nederlandse regering heeft Ooms in 1948 bij TNO voor militair onderzoek sarin geproduceerd, het gas waarmee vorige maand een dodelijke aanslag werd gepleegd in de metro van Tokio. Het verdrag is overigens geen garantie dat niemand een kleine hoeveelheid sarin maakt, zegt hij, “maar militair interessant zal het nooit zijn; daarvoor zijn grote installaties nodig.” Voor de daders van de aanslag heeft Ooms trouwens maar een matig ontzag: “Het zijn òf amateurs geweest, òf het was geen sarin. Bij gebruik van echt sarin in die omstandigheden hadden ten minste duizend doden moeten vallen.”