Van achter het gordijn

FLIP BOOL en VERONICA HEKKING: De Illegale Camera 1940-1945. Nederlandse fotografie tijdens de Duitse Bezetting

192 blz., geïll., V+K Publishing 1995, ƒ 59,90

In het Amsterdams Historisch Museum is t/m 11 juni de tentoonstelling 'De Illegale Camera' te zien

Dakgoten en raamkozijnen: dat zijn vaak de kaders van foto's uit de oorlog. Noodgedwongen zochten veel fotografen de veiligheid van een schuilplaats binnenshuis. Zoals L. Riezouw die vanuit het belendende pand een foto maakte van groepjes joden op de binnenplaats van de Hollandsche Schouwburg in Amsterdam, of Kryn Taconis die van binnenuit en bovenaf een compositie in krachtige diagonalen schoot van mensen die tijdens de hongerwinter de houtblokjes tussen de tramrails uitpeuteren. De verhoogde standpunt geeft hun opnames van gebeurtenissen op straat, al dan niet bedoeld, een extra dramatiek.

Het zijn enkele van de honderden foto's - sommige beroemd, andere nooit eerder gepubliceerd - in De Illegale Camera 1940-1945. Nederlandse fotografie tijdens de Duitse Bezetting van Flip Bool en Veronica Hekking, in het dagelijkse leven werkzaam bij respectievelijk het Nederlands Fotoarchief en de beroepsvereniging voor fotografen GKf. Ruim vijf jaar zijn de auteurs bezig geweest met het traceren van fotografen en gefotografeerden om een beeld te krijgen van wie foto's maakte van wie en wat, met welke bedoelingen en onder welke omstandigheden. Naderhand hebben foto's een onmisbare rol gespeeld in de verslaglegging van de oorlog, en al snel na de bevrijding is er ondanks de papierschaarste een hausse aan (foto)boeken geweest. Hoewel dr. L. de Jong in eerste instantie géén foto's in zijn geschiedschrijving wilde opnemen, zijn het er uiteindelijk rond de tweeduizend geworden. Toch is dit waarschijnlijk het eerste breed opgezette onderzoek naar zowel het verschijnsel 'illegale fotografie' in zijn historische context als naar de mensen, amateurs èn professionals, die erbij betrokken waren. Dat is natuurlijk een kolossale opgave, aangezien honderden fotografen vele duizenden foto's hebben gemaakt - en dan is de bevrijding zelf in dit boek nog buiten beschouwing gelaten.

Echt verboden was het fotograferen pas sinds november 1944, maar het was daarvoor uiteraard al riskant. Het is dan ook opmerkelijk dat er toch veel foto's zijn gemaakt van gevaarlijke activiteiten als wapentransporten, het kneden van bommen en het doorseinen van radioberichten. Anders dan radio's, fietsen, paarden, kerkklokken, auto's en zelfs honden werden fototoestellen niet gevorderd. Er is dan ook de hele oorlog door gefotografeerd, vooral na Dolle Dinsdag. Die 5e september 1944 waarop Nederland dacht dat de bevrijding een kwestie van dagen was, werkte volgens de auteurs als een katalysator: “De reële hoop op bevrijding bevordert niet alleen het historisch bewustzijn, maar ook de moed om de Duitsers en hun repressie te trotseren.”

Veelal aan de hand van correspondentie met het Rijksinstituut voor Oorlogsdocumentatie hebben de auteurs tientallen fotografen, familie, vrienden, nabestaanden en betrokkenen over de hele wereld opgespoord en geschreven of gesproken. Jammer is wel dat de lezer bijna niets te weten komt over deze naspeuringen. Een uitzondering maken ze voor Cas Oorthuys' beroemde foto van een ouder echtpaar dat ondergedoken onder een vloer leefde. Een oproep in Vrij Nederland leverde een brief op van een vrouw die inmiddels in Portugal woont. Zij wist te vertellen dat het om een schuilplaats ging bij een tabaksfirma aan de Nes in Amsterdam; de onderduikers zelf hadden geweigerd op de foto te gaan, ook al was de oorlog voorbij, maar het conciërge-echtpaar dat voor hen had gezorgd, was bereid in hun plaats te poseren.

Is zo'n reconstructie met 'acteurs' nog wel authentiek te noemen? Bool en Hekking hebben een nog duidelijker voorbeeld van reconstructie nageplozen: een reeks foto's van een sabotage-actie bij een drijvende bok in het IJ. Alles, van de daden en de locatie tot en met de daders en hun kleding, is na de bevrijding nauwgezet nagebootst en gefotografeerd ten behoeve van een herdenkingsboek voor Prins Bernhard. Een oordeel hierover geven de auteurs niet, het gaat hen vooral om het achterhalen van de feiten: pas als die vastgesteld zijn, kunnen de foto's hun rechtmatige plaats krijgen als historische bron. Nederlands verwerking van de oorlog heeft lang in het teken van de discussie over goed en fout gestaan, en een manipulatief en manipuleerbaar medium als de fotografie ontkomt daar evenmin aan. De auteurs waarschuwen voor de benaming 'foute' beelden: de 'Arisch' aandoende foto van een vrouw die blij haar kind in de lucht heft, stond in een gelijkgeschakeld tijdschrift, maar de vrouw is de oud-communiste en echtgenote van Cas Oorthuys, Lydia.

'Foute' fotografen waren er natuurlijk wel, bijvoorbeeld Nico de Haas die zich als een devote SS'er ontpopte. Charles Breijer daarentegen had dank zij zijn werk bij de 'foute' Arbeiderspers toegang tot gebeurtenissen die de Duitsers liever niet geregistreerd zagen, zoals anti-joodse rellen rond het Rembrandtplein begin 1941. Breijer raakte niet alleen betrokken bij de bekendste groep clandestiene fotografen, De Ondergedoken Camera in Amsterdam, maar ook bij het gewapend verzet. Het idee dat de fotograaf J. van Rhijn 'fout' was - in de oorlog was hij lid van het serviele Verbond van Nederlandsche Journalisten - heeft er zelfs toe geleid dat er nauwelijks studie is verricht naar zijn archief van ruim achthonderd negatieven. Met een dergelijk moralisme zijn de auteurs niet behept: zij worden gedreven door onbeladen nieuwsgierigheid. De oorlogsomstandigheden deden de grenzen vervagen tussen de professionele fotograaf en de amateur. De samenstellers hebben veel nieuwe beelden aan de geschiedenis toegevoegd door een aantal albums van particulieren op te sporen. Sommigen richtten zich - met alle risico van dien - op documentaire beelden, anderen beperkten zich juist tot de schijnbare normaliteit van het privé-leven. De Amsterdammer Karel Bönnekamp legde als een van de weinigen de jodenvervolging vast; de Arnhemse chemicus Modderman arrangeerde zijn foto's thematisch en voorzag ze van soms sardonisch commentaar. Cobie Douma, lerares op een huishoudschool, hield zelfs twee albums bij, een over de oorlog en een over haar privé-leven. De persoonlijke blik van deze mensen op de gebeurtenissen waarvan ze 'gedwongen getuige' waren, is een verrijking van het gevestigde beeld van de oorlog. Het belang van dit boek schuilt behalve in de inventarisatie van feiten die bijna in de vergetelheid waren weggeglipt, in het openleggen van een rijk visueel reservoir.