TWINTIG JAAR NA HET GEDWONGEN VERTREK VAN DE AMERIKANEN UIT VIETNAM; Vietnam heeft de vroegere vijand vergeven

Het valt iedereen op die Vietnam bezoekt: de bijna volledige afwezigheid van haat. Waar menig ander volk decennia-lang rondloopt met een diep gekoesterde wrok tegen vroegere overheersers, hebben de Vietnamezen, zo lijkt het, de inbreuk die Amerikanen en andere buitenlanders tot 1975 op hun land pleegden vergeven en vergeten. In de omgeving van de gehuchten My Lai en Son My, door luitenant William Calley en zijn peloton in 1968 goeddeels uitgemoord, zal het bezoek van een Amerikaan bitterheid oproepen. Maar op de meeste plaatsen in Vietnam worden de vroegere vijanden met open armen ontvangen.

Hoe kan een volk zo vergevingsgezind zijn? “De Vietnamezen hebben de oorlog gewonnen, ze verwerken hun trauma's daarom op een andere manier”, zegt de Vietnamoloog John Kleinen. “Bovendien duurde de Amerikaanse aanwezigheid eigenlijk maar tien jaar en dat is betrekkelijk kort.” Kleinen wijst verder op de rol van de Vietnamese intellectuelen, ook de communistische, die steeds het venster op het Westen bleven houden. “Generaal Giap - bedwinger namens de communisten van eerst de Fransen en daarna de Amerikanen - is in feite het type van de verfijnde Franse intellectueel.”

Geen haat, geen onvriendelijkheid - begrip, maar mede gecreëerd door het morele gelijk in de oorlog dat Vietnam zich heeft aangemeten en dat vrijwel wereldwijd wordt erkend. De Vietnamese partijleider Do Muoi was er vorige week tijdens een bezoek aan Tokio als de kippen bij om de woorden van Robert McNamara - Amerikaans minister van defensie onder de presidenten Kennedy en Johnson in de jaren zestig - aan te halen. “McNamara had gelijk: de oorlog was een vergissing (..) Amerikaanse Congresleden die ik heb ontmoet hebben dit ook gezegd: het was een vergissing.” Wat een vergissing, ten koste van de levens van ruim drie miljoen Vietnamezen en 58.000 Amerikanen.

De Westerse angst voor een eensgezinde communistische overheersing van Oost-Azië bleek uiteindelijk volkomen ongegrond. In de jaren vijftig en zestig was de heersende gedachte over het Verre Oosten onder Westerse politici dat het communisme zich als een rode vlek zou verspreiden, tenzij de 'vrije krachten' het zouden stoppen. China was communistisch sinds 1949, in Korea kon een volledig communistische overheersing ternauwernood worden tegengehouden (Koreaanse oorlog 1950-1953) en elders in de regio bestonden sterke communistische partijen, zoals in Indonesië en Japan. Noord-Vietnam was in feite communistisch nadat Ho Chi Minh in 1945 (nota bene met hulp van de Amerikanen) de Japanners had verslagen. Het verdrijven van de Franse koloniale overheersers duurde nog negen jaar en heel Vietnam en daarmee heel Zuidoost-Azië lag open voor de communisten.

Het is eenvoudig om, in retrospectief, te constatereren dat het zo'n vaart niet liep met het vallen van de domino's. De stenen waren te verschillend en de onderlinge afstand was te groot. Communistisch of niet: China en Vietnam zijn twee erfvijanden die elkaar niet liggen. In 1979 vochten ze nog een hevige grensoorlog uit. En hoewel de normale betrekkingen sinds 1991 zijn hersteld blijft de argwaan, hangen grensconflicten voortdurend in de lucht. Hetzelfde geldt voor Indonesië en China, dezelfde achterdocht, soortgelijke broze banden. Ook als Indonesië in de jaren zestig wel communistisch was geworden, had dit waarschijnlijk niet tot een as Peking-Jakarta geleid.

Vietnam en Cambodja: een andere tweestrijd tussen communistische buren. In beide landen behaalden de communisten in 1975 de totale zege, drieëneenhalf jaar later botsten de twee volkomen verschillende communistische opvattingen (industrieel versus plattelandscommunisme) bloedig op elkaar en elimineerde Vietnam het maoïstische systeem in het buurland.

Achteraf bekeken hebben zowel de Amerikanen als de Vietnamezen gelijk gehad in Zuidoost-Azië. De Vietnamezen wilden hun onafhankelijkheid en hebben die gekregen. De Amerikanen wilden bewijzen dat het communisme een waardeloos systeem is, waarmee een maatschappij in ieder geval in economisch opzicht niet uit de voeten kan - ze hadden het bij het rechte eind, zo vonden naderhand ook de Vietnamese machthebbers.

De erfgenamen van Ho Chi Minh genoten na 1975 een decennium lang in hun socialistische volksrepubliek van de overwinning. De communistische leiders streefden naar een collectivisatie volgens Sovjet-model. Privé-handel werd afgeschaft, de markten werden gesloten. Onder invloed van de gebeurtenissen in de Sovjet-Unie, Hanois grootste bondgenoot, besloten de rechtgeaarde Vietnamese communisten in 1986 een nieuwe weg, doi moi, in te slaan. Een nieuwe economische politiek, gebaseerd op de markt, deed haar intrede. Het land had ook geen keus, het was totaal verarmd. Eerst was het verwoest door dertig jaar oorlog, daarna in de steek gelaten omdat het een overwinning had behaald op de onoverwinnelijk geachte Amerikanen en vervolgens in een nog dieper isolement gestort door de invasie van Cambodja, in 1978.

De nieuwe weg bleek de juiste te zijn: Vietnam kent na jaren van stagnatie de laatste jaren een economische groei (rondom de acht procent) die in het Verre Oosten niet misstaat, al is het nog altijd een van de armste landen in de regio en zijn de verschillen tussen arm en rijk fors opgelopen.

In politiek opzicht is Vietnam een een-partijdictatuur gebleven, met een zeer beperkte vrijheid van meningsuiting. Het volk neemt dat voor lief, zo lijkt het, de Vietnamezen zijn primair gericht op het verbeteren van hun directe levensomstandigheden. Na een voorzichtig proeven aan de nieuwe economische vrijheid (1986-90) hebben ze zich de laatste jaren vol overgave gewijd aan het opbouwen van hun eigen consumptiemaatschappij. In de zuidelijke Mekong-delta was dit een simpel teruggrijpen op de pre-1975-situatie, voor het noorden komt het neer op een volkomen nieuwe ervaring, maar wel een die de noorderlingen met gulzige slokken naar binnen werken. De noordelijk gelegen hoofdstad Hanoi doet in bedrijvigheid niet onder voor de zuidelijke 'hoofdstad' Ho-Chi-Minh. In het midden van het langerekte land bevindt zich nog een forse groeikern rondom Danang. Een natie in de greep van het geld en het mag allemaal.

Met de grotere mate van vrijheid zijn uiteraard enkele oude 'gewoonten' weer opgedoken, die de communisten juist met wortel en tak hadden willen uitroeien: criminaliteit, prostitutie en corruptie. In de grote steden is een sturend mechanisme in veel gevallen ver te zoeken, of het moet de onzichtbare hand van Adam Smith zijn.

Neem de dijken die Hanoi moeten beschermen tegen de Rode Rivier, waarvan de waterspiegel tijdens de moesson drie meter boven stadsniveau ligt. Om de dijk bij noodgevallen snel te kunnen verhogen met zandzakken is het officieel verboden op een afstand van minder dan 25 meter van de dijk te bouwen. Maar na wat steekpenningen hier en een cadeautje daar wisten projectontwikkelaars het verbod te omzeilen. De televisiebeelden (via CNN, waar de Vietnamezen gretig naar kijken) over de overstromingen in Europa, begin dit jaar, bracht premier Vo Van Kiet ertoe de opdracht te geven alle bouwwerken op de dijk af te breken. Of dat ook gebeurt is vers twee.

Door de ongebreidelde economische expansie en vooral de grote mogelijkheden voor buitenlandse investeerders is Vietnam intussen bij de geïndustrialiseerde buurlanden salonfähig geworden. De Associatie van Zuidoostaziatische staten (ASEAN), die bestaat uit Indonesië, Maleisië, de Filippijnen, Brunei, Thailand en Singapore zal Vietnam deze zomer in haar midden opnemen. Dat is een grote politieke en morele overwinning voor Hanoi, want de ASEAN werd in 1967 feitelijk opgericht als anti-(Vietnamees-)communistische organisatie.

Onder dat verleden wenst Vietnam een dikke streep te zetten. Do Muoi hield tijdens zijn bezoek aan Japan een vurig pleidooi voor vriendschap met de Amerikanen. De partijleider wil liever nog vandaag dan morgen de Stars and Stripes zien wapperen op een ambassadegebouw in Hanoi. Washington besloot weliswaar in februari 1994 het dertig jaar oude economisch embargo tegen Vietnam op te heffen, een stap die werd gevolgd het openen van verbindingsbureaus in elkaars hoofdsteden, dit jaar. Maar een volledig herstel van de betrekkingen hangt nog niet in de lucht. Daarvoor is de machtige lobby van (ex-)politici en families van vermiste militairen te sterk. Velen van hen houden vol dat zich in Vietnam nog steeds Amerikaanse oorlogsgevangenen bevinden.

Washington blijft van Vietnam opheldering eisen over het lot van 1.621 vermiste Amerikaanse militairen. Maar Vietnam wijst er voortdurend op dat het zelf sinds de oorlog nog altijd 300.000 mensen 'mist'.