Strafrecht moet euthanasie blijven toetsten

AMSTERDAM, 29 APRIL. Meer dan tien jaar geleden bevestigde de Hoge Raad een baanbrekend vonnis van de rechtbank in Alkmaar. Deze had het beroep op noodtoestand van een arts aanvaard die euthanasie had gepleegd op een hoogbejaarde dame die erg leed onder haar aftakeling. De afgelopen week was dezelfde rechtbank het toneel van een nieuwe testcase, nu in verband met een meervoudig gehandicapt pasgeboren babytje dat vreselijk leed. Ook nu kwam de rechtbank tot honorering van het beroep op noodtoestand van de arts die het kindje op dringend verzoek van de ouders uit haar lijden hielp.

In de lijn van de principe-uitspraak van de Hoge Raad uit 1984 formuleert de rechtbank vier minimumvoorwaarden. Er dient sprake te zijn van een uitzichtloos, ondragelijk en ongeneselijk lijden dat niet op medisch zinvolle wijze kan worden verzacht. De arts dient te handelen naar eisen van wetenschapelijk en ethisch verantwoord medisch inzicht en zorgvuldigheid. Er dient sprake te zijn van een uitdrukkelijk en ernstig verzoek van de ouders.

Met dat laatste beginnen echter de problemen. De aanklacht luidde thans niet euthanasie maar moord. Van dood op verzoek kan immers niet worden gesproken bij een pasgeboren kind, net zo min als bij een volwassen comapatiënt. De ouders zijn weliswaar wettelijk vertegenwoordiger van een baby maar hun ouderlijke macht reikt niet zover dat zij kunnen besluiten tot de dood van hun kinderen. Er kunnen ook allerlei overwegingen van eigenbelang tussenbeide komen, zo waarschuwt de bekende Amsterdamse emeritus-hoogleraar H.J.J.Leenen in zijn handboek gezondheidsrecht.

Het gaat echter niet aan vanwege dergelijke risico's te ontkennen dat veel ouders werkelijk alleen maar het beste met hun boreling voorhebben. Het “uitdrukkelijk, herhaald en consistent verlangen van de ouders” vormt volgens de Alkmaarse rechtbank een niet te negereren factor in het conflict van botsende plichten waarvoor de betrokken arts H.Prins zich in dit geval zag gesteld.

Juist omdat een pasgeborene zijn wil niet kan uiten is extra zorgvuldigheid geboden. De rechtbank vermijdt de term “extra” in haar criteria voor de overmachtssituatie, maar erkent in de bespreking van de gevolgde handelwijze dat Prins had gezorgd voor een zeer grondige besluitvorming. Hij had een heel team geformeerd. Ter vergelijking: vorig jaar zei de Hoge Raad over euthanasie dat inschakeling van een tweede arts in de lijn ligt doch alleen een absolute voorwaarde vormt bij mensen die psychisch lijden - ook een evidente risicogroep.

Het hart van de uitspraak wordt gevormd door een medische afweging. De rechtbank heeft zich uitvoerig laten voorlichten door deskundigen die het besluit van dokter Prins billijken en concludeert dat verdere medische behandeling zinloos was. Toch zit hier een juridische adder onder het gras. Op zichzelf kwam een chrirugische correctie van zowel het waterhoofd als het open rugetje waaraan de boreling leed, in aanmerking. Deze zou theoretisch zelfs jarenlang leven mogelijk maken. De deskundigen zijn echter, ook internationaal, uiterst terughoudend in dit soort gevallen tot operatie over te gaan. Niet zozeer vanwege de technische onmogelijkheden maar met het oog op het latere leven.

De maatstaf van een “onleefbaar leven” maakt onderdeel uit van rapporten van de Koninklijke maatschappij voor de geneeskunde en de Vereniging van Kinderartsen over levensbeëindigend handelen bij zwaar-defecte pasgeborenen. Vooraanstaande gezondheidsjuristen hebben dit echter onaanvaardbaar genoemd. De arts mag slechts objectieve, medische maatstaven aanleggen. Een oordeel over de kwaliteit van het leven van een ander komt de arts niet toe. Het past ook niet in een medisch beslissingsproces. Objectieve criteria voor de zin van het leven ontbreken. De grote angst is natuurlijk dat dit leidt tot een “afglijdingsproces”, waarbij voordat men het weet bijvoorbeeld ook economische overwegingen een rol gaan spelen. Inderdaad een huiveringwekkend vooruitzicht.

De voorstanders van het criterium stellen daar met enige reden tegenover dat een waterdichte scheiding niet valt te maken. Om te beginnen laat de strikt-medische kansberekening al een zekere marge, zo heeft de Hoge Raad in 1989 erkend in het geval van het afzien van behandeling bij een gehandicapte, mongoloïde baby. De Utrechtse hoogleraar strafrecht C.Kelk sprak in dit verband zelfs van “een zekere carte blanche”.

De “onleefbaar leven”-prognose heeft trouwens een harde kern van objectief vaststelbaar lijden: “één poel van vreselijkheid”, zoals een deskundige het in het geval van de mongoloïde baby noemde. Het blijft echter de vraag hoeveel criteria men mag toelaten. Behalve de mate van lijden en de mogelijkheid tot communicatie als kern van het mens-zijn noemde het KNMG-rapport ook criteria als de mogelijkheid van zelfstandigheid (bijvoorbeeld, lopen, wonen, zichzelf verzorgen), ontplooiïng (lezen, schrijven, arbeid) en zelfs of de pasgeborene al dan niet de ouders welkom is.

In deze argumentatie zit inderdaad een gevaarlijke helling die het medisch beslissingsproces te buiten gaat. Juist om die reden is strafrechtelijke toetsing van het medisch handelen in deze gevallen zo belangrijk, onaangenaam als het voor de betrokken arts mag zijn. Een algemene uitzondering voor medisch handelen vindt geen steun in het recht, zei de Hoge Raad al in 1984. De rechter kan niet volstaan met af te gaan op de medische opinie maar behoort de hele handelwijze te toetsen. Dat geldt in het bijzonder voor een “onleefbaar leven”-prognose.