Splinter in Frans geheugen

PHILIPPE BURRIN: La France à L'Heure Allemande 1940-1944

560 blz., Seuil 1995. ƒ 67,90.

Wie vijftig jaar na dato nog een opzienbarend werk over de Duitse bezetting in Frankrijk weet te schrijven, moet van goede wetenschappelijke huize komen. Dat is beslist het geval met de Zwitserse historicus Philippe Burrin, die met La France à L'Heure Allemande een opvallende bijdrage aan de geschiedschrijving van de Tweede Wereldoorlog heeft geleverd. Niet alleen bevat zijn boek dank zij uitvoerige raadpleging van Duitse archieven - doorgaans geen sterk punt van Franse historici - vele nieuwe feiten en een schat aan petite histoire. Maar het is vooral Burrins benadering van het onderwerp die zijn werk zo verrassend leesbaar maakt. Hij plaatst niet zoals de meeste van zijn Franse voorgangers deden, de relatie tussen het Vichy-bewind en de Fransen op de voorgrond, maar concentreert zich op de vraag hoe de Franse samenleving - de collaborateurs in Parijs en Vichy, de kerk, de man in de straat, bankiers, schrijvers - op de Duitse bezetting heeft gereageerd.

In zijn eindoordeel komen de Fransen er niet slechter af dan andere Westeuropese volken die de Duitse bezetting hebben moeten ondergaan. Na een periode van aarzeling en passiviteit in de eerste twee jaar die vooral werd veroorzaakt door het militaire debâcle en de herinnering aan het bloedbad van de Eerste Wereldoorlog, heeft de grote meerderheid van de Fransen de collaboratie afgewezen en zich redelijk waardig weten te gedragen.

Deze weigering van de collaboratie betekende echter geenszins een keuze voor het verzet. De overgrote meerderheid nam een afwachtende houding aan, 'de omvangrijke grijze zone die in feite de overheersende kleur in deze zwarte jaren was'. In Nederland was het overigens niet anders. Toch was er één groot verschil, namelijk de semi-wettige regering in Vichy. De aanwezigheid van l'état français, die steeds meer verstrikt raakte in de vicieuze cirkel van samenwerking met Duitsland, verschafte de collaboratie legitimiteit en werkte ondermijnend voor uitingen van burgerlijk verzet. “De periode van de bezetting heeft een pijnlijke splinter in het geheugen van de Fransen achtergelaten,” concludeert Burrin.

Zijn boek valt in drie delen uiteen. In het eerste deel beschrijft Burrin de pogingen van Vichy om de status van bevoorrecht bondgenoot in het nieuwe Duitse Europa te verwerven. Een weg zonder einde. Hitler hield Vichy aan het lijntje, gaf soms wat kruimels weg, maar heeft nooit gehoor gegeven aan de wensen van Vichy. In het tweede deel, Accomodements, worden de reacties van de Franse bevolking en instanties op de Duitse bezetting beschreven. Het derde deel behandelt de ideologische en politieke stromingen in de Franse collaboratie.

Net als in een dictatuur, is ook bij een vijandelijke bezetting een zekere aanpassing onvermijdelijk, aldus Burrin. Het gaat hier om accommodatie onder druk. Het belang van de bevolking is ermee gediend dat de economie en de openbare diensten blijven functioneren. Het gaat om gedeelde belangen. Terwijl de bezetter ernaar streeft de economie van het veroverde land maximaal voor eigen doeleinden uit te buiten, probeert het bezette land voor het minste kwaad te kiezen.

Natuurlijk dreigt de grens tussen dit noodzakelijke geschipper en de vrijwillige accommodatie snel te worden overschreden. Burrin onderscheidt twee vormen in wat hij de opportunistische accommodatie noemt. Ten eerste een zekere mate van samenwerking met de bezetter uit persoonlijk of corporatief belang, terwijl er nog andere keuzen voorhanden zijn. Daarnaast is er de politieke accommodatie. Deze actieve vorm van collaboratie heeft bij voorkeur een ideologische basis.

De grenzen van de collaboratie zijn vluchtig. In de eerste twee bezettingsjaren zijn tienduizenden Fransen de taal van de onderdrukker gaan leren. De taalscholen konden de vraag niet aan, ouders stimuleerden hun kinderen om op het lyceum Duits als hoofdvak te kiezen. Wat kan de mensen daartoe hebben bewogen, vraagt Philippe Burrin zich af. Bij velen moet tot 1943 de illusie hebben meegespeeld dat zij in de nieuwe orde - met behulp van kennis van de Duitse taal - aanspraak op een bevoorrechte positie zouden kunnen maken. Deze ijverige mensen vielen buiten de naoorlogse zuiveringen. Maar, vervolgt Burrin, de historicus interpreteert deze geestdrift voor de taal van de bezetter als een aanwijzing dat de Franse maatschappij zich aan de Duitse aanwezigheid probeerde aan te passen. De vrijwillige accommodatie werd door veel meer Fransen omarmd dan de 150.000 personen die in het kader van de zuivering werden bestraft, luidt de conclusie.

Vooral in het bezette deel van Frankrijk werd de zomer van 1940 gekenmerkt door bewondering voor de overwinnaars. Er heerste een stemming van berusting en aanvaarding. François Mauriac schreef die zomer: “Wij kunnen slechts, in de mate van het mogelijke, een politiek van collaboratie voeren.” De schrijver kwam vrij snel op dit dwaalspoor terug, en trad het jaar daarop tot het verzet toe. Maar zijn berustend oordeel uit 1940 was representatief voor de defaitistische stemming in Frankrijk destijds. Pas in 1942, na de terechtstelling van gijzelaars en de eerste jodendeportaties, trad een ommekeer in de openbare mening op.

In de gedetailleerde beschrijving van de manier waarop de Fransen met de Duitse bezetting zijn omgegaan, heeft vooral het graafwerk van Burrin in Duitse archieven nieuwe terreinen blootgelegd. Het is een lang relaas van geschipper, pappen en nathouden dat in essentie nauwelijks afwijkt van wat in andere bezette landen in West-Europa is voorgevallen. Ten minste 200.000 Fransen zijn uit vrije wil in Duitsland gaan werken. Mensen werden met verbluffend gemak bij de vijand aangegeven. Wraak was het meest voorkomende motief.

Vooral de hogere geestelijkheid heeft indirecte steun aan de collaboratie verleend. Talrijke industriëlen en bankiers toonden zich kampioenen van opportunistische accommodatie. In de laatste oorlogsjaren zijn banken die goede zaken met de bezetter hadden gedaan, het verzet gaan financieren, wat, in de woorden van Philippe Burrin, de allure van een massieve aankoop van clementie kreeg.

Tentoonstellingen over de vrijmetselarij, de joden en het bolsjewisme - drie favoriete thema's van de nazi's - trokken in Parijs tussen 1940 en 1942 drie miljoen bezoekers. Lezingen over 'het nieuwe Duitsland' waren destijds zeer in trek. Bekende Françaises namen Duitse officieren als minnaar, en lieten zich daar openlijk op voorstaan. Waar het uitsluiting van joodse hoogleraren betrof, was grote inschikkelijkheid jegens de autoriteiten bij rectoren van universiteiten eerder regel dan uitzondering. In Frankrijk is geen Cleveringa opgestaan om tegen uitsluitingen op raciale gronden te protesteren. Ook hier bleek weer de negatieve invloed van het Vichy-bewind. Respect voor legaliteit stond openlijke protesten in de weg. Terwijl in Nederland de anti-joodse maatregelen door de bezetter werden gedecreteerd, gebeurde dat in Frankrijk door de Vichy-regering.

Gevierde schrijvers als Montherlant, Morand, Giraudoux en Cocteau waren weliswaar geen nazi's maar bleken zo gecharmeerd door de Duitse overwinning dat zij maar al te graag tegen de bezetters aanschurkten. Het verlangen om te worden gedrukt, was voor de meeste schrijvers te sterk. Zelfs de grote Albert Camus boog in 1942 het hoofd, toen de censuur in Le Mythe de Sisyphe het hoofdstuk over Kafka wegens diens joodse achtergrond schrapte.

Verbijsterend was de verblindheid van een Joliot-Curie, vermaard kernfysicus, Nobelprijswinnaar en vriend van de communisten. Dank zij Joliot had Frankrijk in 1940 een nucleaire voorsprong op Duitsland. Om zijn laboratorium vooral maar niet te verliezen, ging Joliot met Vichy onderhandelen en aanvaardde hij de medewerking van Duitse kernfysici bij de voltooiing van zijn cyclotron waarover Duitsland toen nog niet beschikte. Frankrijk verspeelde daarmee zijn voorsprong op militair-nucleair gebied. De strijd tegen de bezetter had voor de anti-fascist Joliot in 1940 nog geen voorrang, pas het jaar daarop ging hij in het verzet.

Het boek van Philippe Burrin is glashelder geschreven. Een uitvoerig notenapparaat en een gedegen index completeren La France à L'Heure Allemande, dat vooral door zijn originele invalshoek en de vele nieuwe feiten warm aanbevolen lectuur voor de Frankrijk-geïnteresseerde vormt.