Sophie en Joop Citroen, vijftig jaar na hun thuiskomst; We zijn nog jarenlang vreemden voor elkaar gebleven

Tien jaar hebben Sophie en Joop Citroen samen geschreven aan het boek 'Duet pathétique', over hun ervaringen als joden in de oorlog. Het eindigt met hun hereniging. Wat is er ná 1945 met de Citroens gebeurd? Over hun boek hebben ze nooit met hun kinderen kunnen praten. “Ik voel altijd wel oorlog van binnen.”

Wéér over die oorlog?

Soms vragen ook Sophie en Joop Citroen zich af of de media zich niet aan overdosering schuldig maken. Sophie: “Ik kan me goed voorstellen dat niet-joden zeggen: alweer een herdenking?” Aan de andere kant kan ze zich ergeren aan het struisvogelgedrag van sommige mensen. Een leeftijdgenote liet haar nog onlangs weten dat het onderhand tijd werd “dat jullie na vijftig jaar alles maar eens vergeten”. Sophie: “Toen zei ik: wij kunnen dat nooit helemaal vergeten, daarvoor zijn wij te beschadigd.”

Joop veert op. Had hij me die anekdote over Mallorca al verteld? “We hebben er een poos een flatje gehad. We waren lid van de golfclub, non playing members, louter voor de gezelligheid. We waren bevriend met een Nederlands stel, maar op een gegeven moment keken die ons niet meer aan. Toen is Fiet op die vrouw afgestapt met de vraag wat er aan de hand was. Ze begon te huilen en vertelde dat haar man ons niet meer kon uitstaan. Hij vond dat mensen die zó geboft hadden door de oorlog te overleven wel eens wat vrolijker konden zijn. Hij nam ons dat kwalijk.”

Sophie: “Het was een chirurg. Geen domme man.”

Een appartement in een verzorgingsflat in Bilthoven. Joop Citroen had me opengedaan. Was hem dit wel? Dit was toch geen man van 89 jaar? Hij moet er later om glimlachen, hij is wel gewend aan de verbazing over zijn fitte uitstraling. Helaas, met zijn zes jaar jongere vrouw Sophie ('Fiet') gaat het niet zo goed, de nieuwste medicijnen zijn slecht gevallen en ze ligt vandaag ziek te bed. We besluiten tòch gedrieën te praten zo lang Sophie het kan volhouden.

Zeven jaar geleden verscheen hun boek Duet pathétique, het relaas van een joods echtpaar uit Hilversum over zijn zeer uiteenlopende belevenissen in de Tweede Wereldoorlog. Sophie dook onder, hun zoon Robbie kwam op een onbekend adres terecht, en Joop werd met een aantal joodse collega's bij Philips naar Vught en later Auschwitz gedeporteerd. In hun boek beschrijven ze, elkaar afwisselend, hun ervaringen. De bizarre onderduikavonturen van Sophie vormen een groot contrast met de kampervaringen van Joop, maar dat geeft juist een bijzondere lading aan dit aangrijpende boek.

Duet pathétique, dat inmiddels ook in het Duits is vertaald, kreeg bij verschijning louter lovende kritieken, maar het vond pas een groter publiek na de recente herdruk in pocketvorm en een item over het echtpaar in het tv-programma Nova. Het boek sluit af met de hereniging van het echtpaar in 1945 in Leiden. Joop Citroen schrijft dan: “Ik kon mijn ogen niet van Sophie afhouden. Voor het eerst kon ik nu rustig naar haar kijken en ik verbaasde mij. Was deze knappe, flinke, jonge vrouw met haar vrolijke lach, dezelfde die ik in Eindhoven had achtergelaten? Toenmaals een beklagenswaardig wezentje met haar verzwakte lichaam en geest, verteerd door duizend angsten, bijna bezwijkend onder de lasten die de oorlogsomstandigheden haar oplegden (...) Nu was zij de sterke en ik de zwakke.”

Ik vraag hem of hij in de kampen aan zijn vrouw en kind kon blijven denken. “De eerste tijd wel”, zegt hij, “maar in Auschwitz raakte ik helemaal in de war. De concrete beelden werden vager en vager. In Reichenbach zag ik alleen nog een lichtend iets waar ik naartoe wilde - dat waren mijn vrouw en kind.”

Sophie: “Ik heb altijd geweten dat Joop zou terugkomen.”

Hoe is het hun daarna vergaan? Dat viel buiten het kader van hun boek, evenals sommige andere aspecten van hun oorlogservaringen. Zij zijn zonder aarzelen bereid erover te praten.

Meneer Citroen, Primo Levi heeft geschreven dat de ex-kampgevangenen òf zwijgers òf vertellers zijn. U behoorde altijd tot de zwijgers?

“Veertig jaar lang heb ik er niet over willen praten. Met niemand, ook niet met mijn vrouw en kinderen. Ik dacht dat het wel niemand zou interesseren en bovendien hoopte ik het op die manier te kunnen vergeten. Dat is natuurlijk fout geweest, want vergeten kun je het niet. Het zit zó in je geheugen gegrift, dat raak je nooit meer kwijt. Vooral als je met eten of ziekte wordt geconfronteerd, komt het weer boven.

“We hebben daar zo'n honger geleden dat ik het niet kan verdragen als ik iemand bijvoorbeeld brood zie weggooien. Dan denk ik: wat zou ik daar toen wel niet voor over hebben gehad? Die associaties heb ik de laatste tijd veel vaker dan vroeger. Het is heel onaangenaam.”

Sophie: “Joop is daar zo gevoelig voor. Er werd eens een fragment van Schindler's List in het NOS Journaal vertoond. Dat kon hij niet aan.”

Joop: “In dat stukje kwam een stel SS-ers als het ware recht op de camera af. Het was net alsof ze op mij afstormden. Ik was er helemaal ontdaan van.”

Heeft u dat niet, mevrouw?

“Ik voel altijd wel oorlog van binnen, een angst, maar er komen geen bepaalde beelden boven.”

Joop: “Mijn vrouw heeft eigenlijk een oorlogstrauma.”

Sophie: “Ik kan nooit meer wachten. Ik heb zoveel moeten wachten in die oorlog. Ons oudste kind is toen verdronken, dagen hebben we moeten wachten voor ze hem vonden. Daarna heb ik moeten wachten tot Joop terugkwam. Als ik Joop niet zie, raak ik in paniek - zelfs als ik weet dat hij in huis is. Dan loop ik overal te roepen waar hij is. Ik kan geen halve seconde zonder hem. Laatst winkelden we apart in V&D, we hadden afgesproken dat we elkaar bij de lift zouden ontmoeten. Joop kwam maar niet opdagen. Ik hàd het niet meer.”

Wanneer bent u aan 'Duet pathétique' begonnen?

Joop: “We hebben er samen een jaar of tien over gedaan. Mijn vrouw was onder behandeling bij een psychiater die haar aanraadde haar ervaringen op te schrijven. Ze sprak haar teksten in op een band en ik tikte ze uit. Ze vertelde natuurlijk ook over mij - zo ben ik er bij betrokken geraakt. Op een bepaald moment ben ik ook zelf gaan schrijven.

“Toen het manuscript klaar was, heb ik Karel van het Reve een brief gestuurd met het verzoek het te lezen. Ik had zijn inleiding gelezen in het dagboek van David Koker, die ik in kamp Vught gekend heb. Toen hij het gelezen had, belde hij meteen op: hij wilde graag langskomen. Zijn vrouw kwam mee, ze had het boek intussen ook gelezen. Van het Reve zei: 'Dit boek moet uitgegeven worden.' Hij zou alle uitgevers langsgaan tot hij iemand bereid had gevonden, maar de eerste, Veen, wilde het meteen hebben.”

Sophie: “Ik heb het boek - het aandeel van Joop - nooit gelezen. Ik sloeg het open om het even in te kijken en ik zag ergens staan dat een kapo hem geslagen had. Daar ben ik zó verschrikkelijk kwaad om geworden.”

Joop: “Mijn vrouw is zeer emotioneel.”

Sophie: “Als ik die man op dat moment te pakken had gekregen, had ik hem vermoord. Ik was een paar dagen helemaal van streek. Toen zei de psychiater dat ik het maar beter niet kon lezen.

“In 1971 heb ik me voor het eerst psychiatrisch laten behandelen. Ik was toen al bijna zestig. Welnee, het schrijven was geen opluchting voor me. Die dingen kun je niet van je afschrijven, ze zitten te diep. Al schrijf je duizend boeken.”

Heeft u vanaf de jaren vijftig doorlopend last gehad van depressies?

Sophie: “Ja. Ik ben niet meer vrolijk, ik lach niet meer, ik kan niet meer echt plezier hebben. Eigenlijk is dat al snel na de oorlog begonnen. Als jong meisje maakte ik veel plezier, ofschoon ik een hele nare, moeilijke jeugd heb gehad. Ik had altijd veel vriendinnetjes. Na de oorlog was er niemand meer. Op hun verjaardagen vroegen de kinderen: ,Waarom komt er nooit eens een oom of tante?' Dat heb ik als een ontzettend gemis gevoeld. Vrienden maak je vroeger. Je latere vrienden weten niets van je achtergrond, er staat altijd een muur tussen.”

Praatte u met nieuwe kennissen nooit over het verleden?

Sophie: “Heel weinig, want ze kunnen het niet begrijpen. En als je er iets van zegt, krijg je vaak te horen: dat hebben we niet geweten. Een bejaard echtpaar, twee medici, bezwoer ons laatst dat ze nooit van jodendeportaties hadden gehoord. Ze zeiden erbij dat ze nog nooit zo'n gezellige tijd als in de oorlog hadden gehad. Nou ja, dan sla je toch dicht.”

Joop: “Gelukkig hebben we door het boek verschillende contacten gekregen met mensen die wèl begrip hebben.”

Wilde u niet naar een psychiater, meneer Citroen?

“Nee, ik ben meteen na de oorlog hard aan het werk gegaan. Ik heb alleen maar aan mijn werk gedacht, ik werd een echte workaholic. Voor mijn vrouw had ik nauwelijks tijd. Ik kon in Hilversum terugkomen bij Philips waar ik de leiding kreeg over het technische vertaalwerk. Vanaf 1959 heb ik daarnaast nog in het bestuur gezeten van de Internationale Federatie van Vertalers. Na mijn pensioen bij Philips heb ik vijf jaar gefungeerd als directeur van het instituut vertaalkunde aan de Universiteit van Amsterdam - voor mij als autodidact een eervolle afsluiting van mijn loopbaan.

“Tegenwoordig ga ik met mijn vrouw mee naar de psychiater. Meestal praten we ieder apart met hem. Ik heb er niet echt behoefte aan en ik heb ook een paar keer voorgesteld ermee op te houden. Maar toen zei hij: Ik zou het niet doen.”

We praten over de kinderen. Robbie-uit-het-boek, die in werkelijkheid anders heet, kreeg in 1947 een broertje, Alfred. Robbie belandde tijdens de oorlog op een onderduikadres in Landsmeer bij zwaar gereformeerde mensen. Daar verbleef hij van zijn vierde tot zesde jaar. De zoektocht van zijn moeder naar hem, kort na de bevrijding, is een van de dramatische hoogtepunten van het boek.

Sophie schrijft: “Ik liet me van de kar afglijden en ging, nog wankelend op mijn benen, door de openstaande deur het huis in. Het eerste dat ik daar zag was een klein jongetje: dat was Robbie! Er was geen twijfel mogelijk! Hij zat lief te spelen. Ik ging naar hem toe, hij keek op en zei: 'Dag juffrouw, ik ga niet met jou mee.' Daar zat ik nu eindelijk tegenover mijn eigen kind. Geheel verbijsterd door wat er gebeurd was en door wat hij tegen mij had gezegd. Ik durfde hem helemaal niet aan te raken. Het was of er een heilige voor me zat, een onwezenlijk gevoel, iets wat nooit helemaal onder woorden te brengen was. Dat ogenblik was onbeschrijfelijk. Woordeloos bleef ik naar hem kijken.”

Hebben uw kinderen het u kwalijk genomen dat u altijd gezwegen heeft, meneer Citroen?

Joop: “Blijkbaar wel.”

Sophie: “Ze willen er niets meer van weten, helemaal niets. Robbie heeft zich er helemaal van verwijderd. We hebben twee keer per jaar een reünie met de kinderen van mijn laatste onderduikadres in Leiden. Robbie wil daar niet naartoe.”

Wat vonden ze van uw boek?

Joop: “Ze hebben er nooit een oordeel over gegeven.”

Sophie: “Ze waren wel bij de presentatie, maar Robbie had ons tevoren gevraagd om hem niet aan te wijzen.”

Joop: “Hij wil er niet bij betrokken worden.”

Er is ook later geen gesprek over de inhoud van het boek gevolgd?

Sophie: “Nee, niets.”

Joop: “Het is heel naar. Er is een kloof tussen ons.”

Dus de oorlog is steeds een taboe gebleven dat tot op de dag van vandaag een schaduw over het gezin werpt?

Sophie: “Dat moet wel... wij weten het niet.”

Joop: “Wij beseffen zelf niet wat er mis is.”

Heeft Robbie later zijn pleegouders niet erg gemist?

Joop: “Hij had een sterke band met die mensen. Het waren lieve, bijzonder goede mensen, maar zeer streng gereformeerd.”

Sophie: “We zijn er altijd met hem heengegaan. Hij heeft er ook nog gelogeerd, maar dat is niet goed bevallen.”

Joop: “Ze hadden hem volkomen gereformeerd opgevoed. Het was een zeer intelligent kind met een uitstekend geheugen, dus toen we hem terugkregen, kende hij het nieuwe testament uit zijn hoofd. Die pleegvader vroeg ons of wij hem ook verder gereformeerd konden opvoeden, maar daar hadden wij geen behoefte aan. Wij zijn zelf niet erg gelovig.”

Sophie: “Als wij daar 's zondags met Robbie in de kerk zaten, kregen we anderhalf uur hel en verdoemenis over ons uitgestort. Toen hebben we gezegd dat hij er niet meer kon logeren. We waren bang dat Robbie verscheurd zou raken en waarschijnlijk is dat ook wel gebeurd. Misschien neemt hij het ons wel kwalijk dat we hem niet gereformeerd hebben opgevoed.”

Joop: “Hij heeft dat nooit gezegd.”

Sophie: “Volgens mij hebben de kinderen geen vrolijke, goede opvoeding gehad. Joop is het daar niet mee eens, die zegt dan: 'Ik ben toch met ze naar het Evoluon en zo geweest.'

Joop: “We hebben zoveel gedaan.”

Sophie: “Maar dat was het niet...Misschien hadden we de kinderen een joods-orthodoxe opvoeding moeten geven. We hadden Robbie iets terug moeten geven voor wat hij als kind was kwijtgeraakt. Ik weet zeker dat dat goed was geweest.”

Joop: “Daarover zijn we het oneens. Dacht je dat alle mensen die niet bij een kerkgenootschap horen, ongelukkig zijn?”

Misschien ligt het eenvoudiger: na zo'n voorgeschiedenis was er thuis geen ontspannen, onbekommerde sfeer meer mogelijk.

Sophie: “Met een vader die met zijn kind op de rug door de kamer hobbelt.”

Joop: “Bovendien, mijn vrouw is na de oorlog praktisch 25 jaar aan één stuk ziek geweest. Hevige rugpijnen, darmkanker, breuken... we hebben soms het bed in de woonkamer gezet, zodat ze nog aan het familieleven kon deelnemen.”

We praten nog even door, totdat Sophie opeens zo misselijk wordt dat we een einde aan het gesprek moeten maken.

Een week later. Sophie zit, redelijk opgeknapt, in de woonkamer. Ze antwoordt zonder reserve. Ik vraag haar of zij en haar man na de oorlog erg van elkaar vervreemd waren geraakt.

“Helemaal”, zegt ze. “Joop was voor mij een vreemde man geworden. Eigenlijk zijn we nog jarenlang vreemden voor elkaar gebleven. Ik was voor de oorlog een kindvrouwtje, erg verwend door Joop met wie ik op 21-jarige leeftijd getrouwd was. Joop vond het na de oorlog heel erg dat ik opeens zo zelfstandig was geworden. Langzaam zijn we weer naar elkaar toegegroeid. Ik voelde dat ik bij Joop moest blijven - zo diep zat het toch wel.”

U beschrijft in uw boek ook uw verliefdheden tijdens de oorlog. Vond u het niet moeilijk om dat aan uw man te vertellen?

“Nee, hij was het van me gewend.”

Joop: “Ze was altijd al licht ontvlambaar. En ze is aantrekkelijk, ze heeft nog wel meer mannen aangetrokken.”

Sophie: “De liefde, dat ging in de oorlog gewoon door en misschien nog wel heviger. Er was zoveel ellende, als er dan eindelijk iets moois gebeurde, greep je dat aan. Maar ik ben niet met die mannen naar bed geweest, hoor. Sommige lezers concluderen dat ten onrechte.”

Meneer Citroen, bent u een overlevende met schuldgevoelens?

“Ik geloof dat ik me niets te verwijten heb, maar ik vraag me wel eens af: waarom ik wel en zij niet? Mijn vrouw heeft eens uitgerekend dat er tussen de zestig en tachtig relaties - familie, vrienden - van ons verdwenen zijn. We hebben het geluk gehad dat we na de bevrijding bij prima mensen in Leiden onderdak kregen, maar verder was het een heel eenzaam leven.

“Om de kampen te overleven had je veel geluk nodig. Ik ben door een wonderlijke opeenvolging van toevalligheden gered. Dat is ook de rode draad in het boek. Bovendien had ik vroeger altijd heel weinig gegeten. De grote, dikke mensen hadden veel meer last van de honger dan ik.”

U beschrijft een soort klassentegenstelling in de kampen.

“Je had de proletariërs, de mensen die gewend waren aan zwaar werk: marktsjouwers, voddenlieden etcetera, mensen met veel spierkracht. En je had de intellectuelere mensen, zoals de Philips-mensen bij wie ik hoorde. In het begin had de eerste groep veel eerbied voor de tweede, maar toen het erop of eronder was, zegevierde de lichaamskracht, het recht van de sterkste. Solidariteit was er toen niet meer bij. De sterken behandelden de zwakken met veel dédain.”

Hoe werd u na de oorlog opgevangen in uw woonplaats Hilversum?

Joop: “Ons huis was al aan een ander verhuurd. Bij Huisvesting kon men ons niet helpen. We moesten zelf maar proberen onderdak te krijgen. Huisvesting heeft ons alleen maar tegengewerkt. We hebben een tijd lang onder beroerde omstandigheden gewoond. Op kamers bij mensen die ons wegpestten; in een slecht pension. In 1948 kreeg ik van Philips, mijn werkgever, een leeg huis. Het moest gemeubileerd, maar we hadden niks. De Duitsers hadden alles ingepikt, zelfs mijn levensverzekeringspolis. Ik heb niet voor niets zo hard gewerkt.”

Was er geen steunfonds voor slachtoffers als u?

Sophie: “Er was niets.”

Joop: “Wij hebben geen enkele hulp gekregen. Wèl kreeg ik nog een rekening van vijftig gulden van het ministerie van buitenlandse zaken. Dat bedrag had het consulaat in Praag me voorgeschoten nadat ik daar vanuit Auschwitz was aangekomen.”

Mevrouw Citroen, hoe kijkt u als onderduiker terug op het gedrag van de Nederlanders ten opzichte van de joden?

“Ik heb wel eens aan Joop gevraagd: zouden wij in ons huis joden hebben laten onderduiken in zulke omstandigheden? Ik geloof het niet. Het was een heldendaad om dat te doen. Je kunt het de mensen niet kwalijk nemen als ze het niet deden.”

Joop: “Onze ambtenaren hebben keurig meegewerkt met de overheid, ook met de Duitse. Dat is faliekant verkeerd geweest.”

Ook de joden is lijdzaamheid verweten.

Joop: “Ik heb me er echt voor geschaamd dat ik me zo gemakkelijk heb laten wegvoeren. En ook voor het feit dat ik voor de Duitse oorlogsindustrie heb gewerkt: grind graven voor een bunker. Als je het niet deed, werd je doodgeslagen. Maar er zijn ook joden geweest die zich verzet hebben, zoals de David in het boek op wie mijn vrouw verliefd werd.”

Heeft u zich na de oorlog nog erg opgewonden over kwesties als 'de drie van Breda'?

Joop: “Nee, de doden krijg je er toch niet mee terug. Wat word ik er beter van? Mijn ouders zijn vermoord, en al hang je die lui allemaal op, zij komen niet meer terug.”