Slotakkoord in Achterveld

De papierschaarste was in het laatste oorlogsjaar zo groot dat Haagse topambtenaren voor het jaar 1945 geen nieuwe bureau-agenda konden krijgen. Ze moesten hun agenda van 1944 maar voor de tweede keer gebruiken. Dat blijkt uit het wat vergeelde exemplaar van H.J. van de Roemer, die tijdens de oorlog hoofd was van het rijksbureau voor de voedselvoorziening.

Op maandag 30 april van 13.00 tot 16.00 uur had Van de Roemer een bespreking in Achterveld, op 1 mei moest hij om 8.30 uur opnieuw in die plaats zijn en op woensdagmorgen 2 mei zou hij om 8.00 uur met de auto naar Wageningen gaan en daarna nog Velp en Deventer bezoeken. Wat had Van de Roemer in Achterveld te zoeken? Niemand had ooit van dat dorp aan een stille straatweg van Amersfoort naar Barneveld gehoord. In Duitse atlassen kwam het niet voor, maar toch werd daar op de dag van Hitlers dood een van de belangrijkste bijeenkomsten van de oorlogstijd in Nederland gehouden.

Achterveld was in de meidagen van 1940 het toneel geweest van de even smadelijke als chaotische terugtocht van het Nederlandse leger na de strijd om de Grebbeberg. Vijf jaar later, op de verjaardag van prinses Juliana, zag het er in de omgeving opnieuw dramatisch uit. Een dag eerder hadden 330 Britse bommenwerpers na langdurige onderhandelingen en uiteindelijk met toestemming van de Duitsers, 400 ton voedsel uitgeworpen boven Ypenburg, Schiphol, Valkenburg (ZH) en Bergen (NH). In West-Nederland was het voedseltekort zo nijpend dat er al 21.000 burgers aan bezweken waren. Zou de Britse en Amerikaanse hulp-uit-de-lucht ('operatie-Manna') met in het totaal 6.000 ton goederen (bloem, gist, melkpoeder, margarine, gedroogd vlees, sausijsjes, gedroogde eieren, chocolade, kauwgom, sigaretten, wc-papier en boekjes met christelijke liederen) tot één afwerpdag beperkt zijn gebleven, dan zouden er nog meer civiele doden zijn gevallen.

Op de dertigste april waren de Achtervelders getuige van de komst van een hoge Duitse delegatie uit Den Haag. Zij bestond uit onder meer Reichskommissar Seyss-Inquart, Generalleutnant Reichelt en een tolk. Met de vijandelijke delegatie waren zeven Nederlandse topambtenaren meegekomen onder wie H.J. van de Roemer. Nadat het gezelschap door het niemandsland tussen de Duitse en Canadese linies was gegaan, werd het per jeep naar de school van Achterveld gebracht. Daar zagen de dorpelingen voor het eerst in hun leven een hoge Amerikaanse militair. Dat was generaal W. Bedell Smith, de chef van Eisenhowers staf en in diens gezelschap waren generaal Susloparow (hoofd van de Russische delegatie bij het geallieerde hoofdkwartier), generaal Foulkes (commandant van het Eerste Canadese Legerkorps) en ook een piepjonge prins Bernhard, die door enkele vertrouwelingen werd vergezeld. De prins wiens voorstellen tijdens de besprekingen van die dag niet aan bod kwamen, deelde sigaretten uit. “Ik weet nog dat vader met Lucky Strikes en met de groeten van de prins thuiskwam”, vertelt een zoon van Van de Roemer.

Na de lunch begonnen de besprekingen. Vrij vlot werd overeenstemming bereikt over grootschalige hulp aan West-Nederland. Het aantal afwerpterreinen zou tot zes worden uitgebreid, de haven van Rotterdam ging weer open en over de weg werd de aanvoer mogelijk van 64.000 ton voedsel dat al maanden in Oss (NB) en in Antwerpen klaarlag. Minder soepel verliep het gesprek over de Duitse overgave waar Smith om vroeg. Hij deed dat, omdat vaststond dat de geallieerden geen militaire bevrijding van West-Nederland mogelijk achtten, ook al had Churchill daar een maand geleden nog sterk voor gepleit. De Duitse delegatie verroerde geen vin. Daarop vond Smith een wat lossere sfeer wel op zijn plaats. Volgens historicus L. de Jong (deel 10B, tweede helft) kwam er, ook voor de Duitsers, gin op tafel. Van die geste moest de suggestie uitgaan dat met Smith wel te praten viel.

Vervolgens drong hij aan op volledige, Duitse overgave van West-Nederland. Verdere strijd, zo kreeg Seyss-Inquart te horen, was zinloos omdat het slechts een kwestie van weken was “before Germany must admit complete and absolute defeat”. Seyss-Inquart zei daarop dat hij het strikte bevel uit Berlijn om het Nederlandse kustgebied zo lang mogelijk te behouden, niet naast zich neer kon leggen.

Na enige argumentaties over en weer, zou Smith hebben gezegd: “Now, look here, Reichsmarschall (hij vergistte zich in de titel FG), general Eisenhower has instructed me to say that he will hold you directly responsible for any further useless bloodshed. You have lost the war and you know it. And if, through pigheadness, you cause more loss of life to allied troops or Dutch civilians, you will have to pay the penalty, and you know what that will mean. You will be hanged”. Waarop de rijkscommissaris volgens het verhaal geantwoord zou hebben: “Das lässt mich kalt”, en generaal Bedell Smith terugkaatste met een: “It will indeed”.

Voor Seyss-Inquart was Achterveld ondanks diverse vlijmscherpe opmerkingen 'ein schöner Empfang'. Heel slecht vielen de Achterveldse akkoorden echter bij de Nederlandse verzetsorganisaties. Die vonden dat de vijand tot onvoorwaardelijke overgave moest worden gedwongen en nooit onderhandelingspartner had mogen worden. Op 2 mei ging Van de Roemer naar Wageningen. Om de voedseltransporten te regelen. Van die dag werd vanuit Rhenen per vrachtauto voedsel naar het westen gebracht waarna op zaterdag 5 mei het eerste voedselhulpschip Rotterdam bereikte.