Russisch ensemble speelt verdroomd tot de allerlaatste noot

Concert door Moscow Contemporary Music Ensemble. Werken van Capyrin, Tarnopolski en anderen. Gehoord 25/4 De IJsbreker Amsterdam. Daarna 29/4 (15u) in het Stedelijk Museum in Amsterdam met de serenade van Alfred Schnittke en Theo Loevendie's Lerchen Trio.

Vorig weekeinde liet de band van het Newyorkse Festival Bang on a Can zich horen in Paradiso en afgelopen dinsdag trad voor het eerst in De IJsbreker het Moskouse Ensemble voor Hedendaagse Muziek op. Wat een wereld van verschil! De Amerikaanse muziek: snel ritmisch en snoeihard, de Russische: langzaam, buigzaam vrij en rollig zacht. In Paradiso drong nauwelijks een politiesirene door, in De IJsbreker hoorde je zelfs het zachte rinkelen van de lepeltjes vanuit het belendende café.

De Amerikanen eindigen hun muziek zomaar, de Russen spelen toe naar de allerlaatste, vaak meest betekenisvolle noten. Bang on a Can musiceerde als het ware met de ogen open. Het Moscow Contemporary Music Ensmble klonk verdroomd, muziek die als het ware vanuit het onderbewuste opborrelt. Het is een jong ensemble. Meestal zijn in Oost-Europa de strijkers de meerderen van de blazers, maar dat zou ik ditmaal niet durven beweren, integendeel.

Is de Amerikaanse muziek abstract, met een vrouwelijk voorspelkarakter, de Russische verwijst naar beelden en vrijwel steeds variërend van melancholiek (Dimitris Capyrins Pastorale, 1992) tot apocalyptisch (Vladimir Tarnopolski's Repercussions of going away day, 1990). Bij Capyrin krijg je het gevoel dat een zwemmer overvalt die al drijvend naar de bewegende wolkenpartijen tuurt, Debussy staat op de achtergrond. Bij Tarnopolski zijn het lijken die voorbijdrijven, terwijl aan de wal hevige branden woeden. En hier staat Crumb op de achtergrond, te weten in rituele aspecten zoals het zacht fluisteren tijdens het musciseren. Jammer dat Tarnopolski geen maat kan houden, aan een op zichzelf leuk effect als het spelen met de beginnoten van Für Elise komt maar geen eind. Zoals gezegd: het slot is poëtisch en dat geldt zeker ook voor het Lamento uit 1990 van Alexander Schetinski. En jawel: Debussy en Crumb zijn weer present bij Yuri Kasparovs Landscape fading into infintity (1992). Een donker, onbewoond landschap met een sluier van wanhoop.

Sterk in al deze stukken is de expressieve lyriek, de daarmee afwisselende tumultueuse effecten als bij een Schnittke gaan veel eerder vervelen. Daarnaast is het voor de musici bijzonder dankbare muziek. Jammer alleen dat bijna alle werken zo stuurloos aandoen, de fragmenten zo verwisselbaar zijn, zo willekeurig geordend. Daarin had men bij de Amerikaanse collega's - in een veel strengere afwikkeling van structuur - veel kunnen opsteken.