Column

Queen

Ik hou van Trix. Ik ben zelfs een beetje op haar. Heb op mijn werkkamer een foto hangen. Daarop loop ik met haar gearmd door het spiksplinternieuwe FNV-gebouw en ik hoorde onlangs van haar oudste zoon dat zij diezelfde foto ook op haar kamer aan de muur heeft. In haar koesterhoekje. Ik bloosde toen hij mij dat vertelde.

Ooit werd ik gevraagd om op te treden bij de opening van deze vakbondstempel en door de Rijksvoorlichtingsdienst werden de regels mij van tevoren uitgelegd. Ik mocht geen grappen maken over ministers. Waarom niet? De aanwezige koningin zou in de lach kunnen schieten en dat kan niet. Dus ben ik als mijn broer gegaan en heb verteld waarom ik niet kwam. Vervolgens heb ik alle grappen verteld die mijn broer, ik dus, niet mocht vertellen omdat de koningin dan in de lach zou schieten en de koningin schoot hartelijk in de lach. Om de licht corrupte Lubbers, de saaie De Vries, de parmantige Brinkman en al die andere Haagse types. Ik vertelde haar dat ik een chronisch medelijden met haar had omdat ze weer het zoveelste lint moest doorknippen, naar allerlei lulkoekspeeches moest luisteren en voor de tienduizendste keer in haar limo zou worden afgevoerd. Ik stelde haar voor om naar huis te bellen dat het wat later werd, dat zou ik ook doen en we zouden in de stad wild en heftig gaan dansen tot in het diepst van de nacht. Ik liep naar voren, bood haar mijn arm aan en zei: 'Trix, we gaan.'

De RVD-meneer had mij dit expliciet verboden en verteld dat de koningin zou blijven zitten. Dit kon echt niet. En wat deed Trix? Ze stond op, gaf Youpie een arm en verdween met mij naar de deur. Daar moesten wij elkaar loslaten en opende zij alsnog het gebouw. Protocol blijft protocol, afspraak blijft afspraak en het kan nou eenmaal niet anders.

Maar alleen ik weet wat ze tegen me zei, alleen ik heb het heerlijke kneepje in mijn onderarm gevoeld en ik ben zo netjes om de woorden niet te herhalen. Maar ze waren goddelijk en sindsdien droom ik regelmatig over haar. We laten dan het FNV-gebouw met de vakbonzen achter ons en verdwijnen in een schuimend Amsterdam. Alles wil ze dan zien. Nichtendisco's, nachtcafés, houseparties, De Kring en illegale gokholen. We snuffelen de nacht af en eindigen op mijn eerste kamer waar ik haar ontroerd zeven gedichten van Hans Lodeizen voorlees. Dan moet ze weer naar huis en ik ook. Claus wacht, de jongens popelen en ik heb inmiddels ook een gezin met twee bloedjes van kleuters. We willen allebei ons thuisfront niet kwetsen. We fietsen ieder een andere kant op, kijken nog een paar keer om en mompelen allebei: 'Shit met peren!'

Het ergste mis ik nog haar gulle lach. Want wat hebben we gelachen. Om wie? Om iedereen. Om alle ijdeltuiten, alles wat zichzelf serieus neemt, voor camera's kakelt, op toneeltjes staat, boekjes schrijft, in besturen zit of op een andere manier zijn of haar tijd doodt. En zij kan prachtig vertellen. Over alle jojo's die ze in haar leven heeft moeten aanhoren en dat zijn er nogal wat. Allemaal mannen en vrouwen die weken gezwoegd hebben op een toespraakje van vier minuten en die allemaal na afloop vertellen dat de koningin het een van de mooiste en helderste toespraken vond die ze ooit gehoord heeft. De schat. Ze moet wat liegen om de bestwil van het land.

Vanochtend heeft ze weer lopen banjeren door een dorp en vanonder haar zoveelste hoedje moeten lachen naar al die sneue zielen met hun volksdansen, oude ambachten, middeleeuwse spelletjes en ander zielig gefröbel. Ze heeft weer moeten luisteren naar een Swiebertje-burgemeester met zijn ambtsketen om en moeten wuiven naar de verschrikkelijkste onderdanen. Ze weet als geen ander hoe er in het plaatsje geroddeld, gebekvecht en ge-elleboogd is om wiens dochter uiteindelijk het tuiltje bloemen aan Hare Majesteit mocht overhandigen.

En regelmatig schoot het door haar heen: Welke god heeft deze kermis voor mij bedacht? Van wie moet ik dit leven lijden?

Zij wordt elke avond weer opgewonden van de prachtige Aegon-reclame waarin het paard zich losrukt uit zijn teugels en de vrijheid kiest. Vanavond rinkelt de telefoon in mijn Amsterdamse kleedkamer, ik weet wie het is, ik weet waar we afspreken en ik weet dat we allebei weer een nacht lang onbedaarlijk lachen. Dat hebben we allebei zo af en toe nodig. Ik weet dat je dit leest en knipoog vast: tot straks!