Op de weg naar Berlijn

C.P.M. KLEP en B. SCHOENMAKER (red.): De bevrijding van Nederland 1944-1945. Oorlog op de flank

396 blz., geïll., Sdu 1995, ƒ 59,90

De geallieerde operaties in West-Europa in 1944 en 1945 hadden maar één hoofddoel: Duitsland verslaan. Bevrijding van de bezette landen was voor de militaire en politieke plannenmakers beslist niet de eerste prioriteit. Het uitbundig onthaal dat de Britten, Canadezen en Amerikanen vrijwel overal in Nederland bij hun binnentrekken ten deel viel, heeft hun natuurlijk wel degelijk het gevoel gegeven zeer welkome bevrijders te zijn. Maar dat de veldtocht vanaf de Normandische stranden louter en alleen een kruistocht zou zijn geweest om de onderdrukte volken van het nazi-juk te verlossen, is een mooie mythe.

Het is goed dat daarmee nog eens onderbouwd wordt afgerekend. Dat gebeurt op een heldere manier in de bundel De bevrijding van Nederland. De auteurs zijn op één na - Oberstleutnant D. Vogel - allen jonge wetenschappelijk medewerkers van de Sectie Militaire Geschiedenis. Wat in dit boek vooral sympathie verdient, is dat er bij alle kritische beschouwingen nergens ook maar iets wordt afgedongen op de moed en de prestaties van de geallieerden die in 1945 definitief een eind maakten aan de Duitse bezetting. Waar het tot dusverre altijd aan heeft ontbroken, is een op degelijk bronnenonderzoek gebaseerde samenvattende geschiedenis van de militaire operaties op Nederlands grondgebied in 1944 en 1945.

'Oorlog op de flank' is de goed gekozen ondertitel van dit boek. De samenstellers zijn uitgegaan van de vaststelling dat Nederland op twee korte episodes na (Market Garden en de slag om de Schelde) in strategisch opzicht voor zowel Duitsers als geallieerden een bescheiden operatiegebied op de noordwestelijke flank is geweest. Voor de bevrijding van Nederland had dit voornamelijk ongunstige consequenties: herhaalde verzoeken van Gerbrandy's regering in ballingschap om bespoediging en ook de smeekbeden van koningin Wilhelmina vonden bij de Britse en Amerikaanse politieke en militaire leiders nauwelijks gehoor. Kleine bondgenoot Nederland had niet veel in te brengen. Dat is geen nieuws, maar hoe precies Nederland was ingepast in de grotere context van de geallieerde en Duitse strategie voor West-Europa is nooit behoorlijk geanalyseerd in samenhang met het verloop van de feitelijke acties aan het front.

Voor Klep en Schoenmaker is juist dit de centrale vraag die als een rode draad door hun boek heen loopt: hoe kwamen bevelhebbers en politici tot hun besluiten en hoe werden die besluiten uitgevoerd, welke wisselwerking bestond er tussen de gevechtshandelingen en het politiek- en militair-strategisch kader? Direct hiermee verband houdt de vraag: wat was het karakteristieke van de strijd op Nederlands grondgebied en wat betekende het voor de militairen van beide partijen om hier te moeten vechten?

Inundaties

Uniek is de grote verscheidenheid aan militaire operaties die zich tussen september 1944 en mei 1945 in Nederland heeft afgespeeld. De grootste luchtlandingsoperatie van de hele oorlog, amfibische aanvallen in Zeeland, moeizame kleinschalige infanteriegevechten in Brabant, een stellingenoorlog langs het vastgelopen rivierenfront die aan de Eerste Wereldoorlog deed denken, een snelle gemechaniseerde opmars naar het noorden en oosten in het voorjaar van 1945 en ten slotte een bevrijding van West-Nederland waar niet of nauwelijks meer om gevochten hoefde te worden. De Nederlandse terreinomstandigheden, de natuurlijke waterhindernissen en vooral ook de inundaties vormden een factor van betekenis. Maar misschien het meest van belang is dat Nederland in de plannen van het geallieerde opperbevel oorspronkelijk helemaal niet in de opmarsroute (naar het Saar- en Ruhrgebied) was opgenomen. In het tijdschema was berekend dat 350 dagen na de landing in Normandië, Aken en dus ook de Nederlandse grens bereikt zou worden. Dan zou de oorlog nagenoeg afgelopen zijn. Wat niemand had kunnen voorzien, was dat Aken niet pas in mei 1945 maar al medio september 1944 bereikt en op 21 oktober veroverd werd. En evenmin was voorzien dat op dat moment nog geen andere aanvoerhavens beschikbaar waren dan de kunstmatige Mulberries bij Cherbourg.

Dit alles en nog veel meer wordt in zeven ruim geannoteerde hoofdstukken door de verschillende auteurs behandeld. De onevenwichtigheid die een dergelijk verzamelwerk gemakkelijk kan aankleven, is vermeden - al krijgt Market Garden wel weer de meest gedetailleerde aandacht - en het aantal overlappingen is relatief gering en hier en daar zelfs functioneel.

Klep tekent voor een belangwekkend achtste hoofdstuk waarin hij ingaat op de vraag hoe de individuele geallieerde en Duitse militair de oorlog in Nederland onderging. Voor de gemiddelde geallieerde soldaat was vechten in de eerste plaats 'a job te be done', waarbij het er vooral op aankwam te overleven. Haat tegen de Duitsers koesterde hij amper of niet, voor hun 'vakmanschap' en hun bewapening had hij zelfs een zeker grimmig respect. Met reden, want als iets duidelijk wordt, dan is het wel dat ook nog tijdens deze laatste fase van de oorlog de Duitsers in discipline, ervaring, uithoudingsvermogen en Kampfmoral in het algemeen de geallieerden overtroffen. Van de laatsten waren de Canadezen er in dit opzicht het slechtst aan toe; gemis aan militaire tradities, onvoldoende training en het gevoel door de Brit Montgomery voortdurend met de gevaarlijkste taken te worden belast, wekten frustraties die niet bevorderlijk waren voor hun motivatie. De relatie tussen bevrijders en burgers, aanvankelijk zo hartelijk, kwam op veel plaatsen zwaar onder druk te staan als gevolg van het grote aantal gevallen van diefstal, tot regelrechte plundering toe en 'ontaarding der eerbaarheid'.

In hun slotbeschouwing nuanceren Klep en Schoenmaker het beeld dat de geallieerden in Nederland weinig inventief zouden hebben geopereerd en uitsluitend met grof geweld en dank zij hun materieel overwicht de overwinning hebben kunnen behalen. De zware artilleriebeschietingen, bijvoorbeeld bij Venray en Overloon, en ook de onderwaterzetting van Walcheren lijken in die richting te wijzen. Daarmee wordt echter voorbijgegaan aan de veelvuldige toepassing van 'smart force' - vlammenwerpers, mijnopruimers, bruggenleggers en een interessante variëteit aan amfibische voertuigen - 'slimme' wapens, ontwikkeld met het doel de loopgravennachtmerrie van de Eerste Wereldoorlog te vermijden.

Een uitgebreide beredeneerde bibliografie completeert dit voortreffelijke, leesbare verzamelwerk. Het boek is mooi verzorgd, waarbij de uitvoering van de overzichtelijke kaarten bijzondere lof toekomt.