Mondriaan

Koos van Zomeren pleegt zijn vaste rubriek te vullen met koetjes en kalfjes in drassige groen/ bruine weiden, precies het decor dat hem nu zo aanspreekt op de schilderijen die Piet Mondriaan maakte aan het Gein (NRC Handelsblad, 19 april). Deze doeken hangen in het Haags Gemeentemuseum op de grote overzichtstentoonstelling die Koos Tweede Paasdag, bij gebrek aan beter, bezocht.

Ondanks de warme gevoelens die hij beweert te koesteren voor Mondriaan, vertoont zijn smaak een sterk lineair regressief karakter: “Vroeger was ik vooral weg van de late Mondriaan, rechte lijnen, rood, geel en blauw. Tegenwoordig vind ik dat hij zijn beste dingen heeft gedaan aan het Gein, waarmee niet is gezegd dat hij de rest wel achterwege had kunnen laten. Als hij meteen na het Gein was gestopt, zou je je altijd hebben afgevraagd of hij nog beter had gekund niet waar?”.

Vreemd dat het Van Zomeren is ontgaan, tijdens deze unieke en zeer verzorgde tentoonstelling dat Piet inderdaad veel beter kon. Hoe prachtig is niet het grote doek 'Duin IV', achter in zaal 60 opgehangen. Door een raam vlak boven het schilderij valt het buitenlicht geraffineerd op de gouden rand die het duin scheidt van de donkerblauwe zee en de diepblauwe lucht daarboven. “In Zeeland bereikt zijn kunstenaarschap de volle rijpheid”, zegt de begeleidende vrouwenstem in je oor. Menig bezoeker zal zich bij het zien van dit schilderij de volgende regels van P.C. Boutens herinneren:

“Gij kwaamt, gelukkig pelgrim, naar mijn land

Mijn blond omduind Zeeuwsch eiland, als het ligt

Voor mij voorgoed in den mystieken glans

Van al de zonnen die dit leven brengt (. . .)''