Minder prettig arbeidsstelsel is onontkoombaar

Enige weken geleden heeft de Organisatie voor Strategisch Arbeidsmarkt Onderzoek (OSA) het rapport Behoeften en effectieve vraag van alleen- en tweeverdieners uitgebracht. Het rapport was in opdracht van OSA geschreven door de onderzoekers Esther Mot en Aldo Paape van de Stichting voor Economisch Onderzoek (SEO) der Universiteit van Amsterdam. In het onderzoek wordt in kaart gebracht of er vraag bestaat naar bepaalde arbeid in de huishoudelijke sfeer zoals kinderoppas, huishoudelijk werk et cetera wanneer de prijs op 10 gulden à 12,50 per uur zou liggen. Het onderzoek komt niet geheel verrassend tot de conclusie dat hier minimaal 47.000 en maximaal 123.000 arbeidsjaren te vullen zijn. Naar aanleiding van dit rapport verscheen op 11 april in NRC Handelsblad een bijdrage van Frank van Empel, waarin in gesprek met Esther Mot en mij op dit rapport werd voortgeborduurd.

In NRC Handelsblad van 18 april levert dr. Jos W.M. Mevissen, directeur van het onderzoeksbureau Regioplan, kritiek op rapport en interview. Een van zijn bezwaren betreft de volgende passage uit het interview: “Stel iemand krijgt voor het doen van klusjes, voor het oppassen van kinderen of voor huishoudelijke hulp netto een tientje per uur. Als zo iemand 120 uur per maand werkt haalt hij op legale wijze 1200 gulden uit de markt. Als de overheid dan nog 500 gulden erbij legt, is iedereen beter af. De werkloze gaat erop vooruit, want eerst had hij een bijstandsuitkering van zeg 1300 gulden en nu een loon van 1700 gulden. De werkgever is net zo duur uit, want die betaalt per uur inclusief sociale premies ongeveer 15 gulden wit en dat is net zoveel als de 15 gulden die voor dit soort dienstverlening op de zwarte markt wordt betaald. En de overheid betaalt nog maar 500 gulden in plaats van de bijstandsuitkering van 1300 gulden. Is er dan geen sprake van verdringing, zal er gevraagd worden. Nee, wat verdrongen wordt is de zwarte markt. Zwart werk wordt gelegaliseerd. Dat maakt het idee aantrekkelijk.”

Het eerste bezwaar van onze opponent is dat als iemand voor zijn arbeid 12,50 gulden netto ontvangt, het de werkgever veel meer kost, of dat een bruto bedrag van 12,50 voor de werknemer tot een veel lager nettoloon leidt. In het eerste geval is de deal voor de werkgever niet aantrekkelijk en in het tweede geval niet voor de potentiële werknemer. Mevissen heeft het grootste gelijk van de vismarkt, wanneer op dit laagste niveau de wig in stand zou worden gelaten. Uit het gegeven voorbeeld, waarbij de invulling van de precieze cijfers misschien een grotere exactheid suggereert dan bedoeld, blijkt in ieder geval zeer duidelijk dat de actuele structuur van sociale premies en belastingheffing op dit (sub) minimum niveau niet in stand moet worden gelaten. De overheid geeft in het voorbeeld zelfs een extra uitkering van 500 gulden aan de werknemer omdat hij van zijn arbeidsinkomen alleen niet kan rondkomen. Dat onder de huidige structuur mensen niet bereid zijn om voor 10 of 12,50 gulden wit te werken, weet zo langzamerhand iedereen wel.

Waar het nu omgaat, en dat is ook de boodschap van bijvoorbeeld de CEC en het Centraal Plan Bureau, is dat de huidige structuur het praktisch onmogelijk maakt om mensen met weinig opleiding en/of werkervaring aan het (witte) werk te krijgen. De structuur moet dus veranderen. Daarvoor is creativiteit en een onorthodoxe benadering nodig. Die is in de bijdrage van dr Mevissen afwezig.

De overige bezwaren van Mevissen komen eigenlijk allemaal neer op hetzelfde punt. Is de markt wel voldoende transparant om vraag en aanbod elkaar te kunnen laten vinden? Wil men wel gaan werken voor 10 gulden of 12,50 als men ook een uitkering kan krijgen? Wil een ondernemer wel aan iemand 'vast zitten' als men in het zwarte circuit zo van iemand af kan? Betekent de invoering van het nieuwe systeem niet een verlaging van het minimumloon?

Al deze bezwaren gelden natuurlijk in het huidige systeem. Onder het huidige systeem van uitkeringen, belastingen, minimumloon en sterke ontslagbescherming, ook voor pas binnengekomen krachten, is het domweg onmogelijk het alternatief van de grond te krijgen. De vraag is nu of we coûte que coûte willen vasthouden aan een prachtige structuur waarvan velen de dupe worden en dus ook niet kunnen profiteren omdat hij slechts voor werkenden vruchten oplevert, of dat we met zijn allen naar een minder prettig systeem op zoek gaan, waardoor vele mensen weer aan het werk geholpen kunnen worden en waarbij we diegenen die van hun werk alleen niet kunnen leven een aanvullende bijstand tot het bestaansminimum geven. Wij zijn voorstander van het laatste maar Mevissen is blijkbaar nog niet zo ver. Ik ben benieuwd wanneer hij zijn mening herziet.