Kabinet wijzigt beoordeling; 240 Gemeenten krijgen vanaf 1997 meer geld

DEN HAAG, 29 APRIL. Vanaf 1997 wordt het geld uit het gemeentefonds anders verdeeld, waarbij zo'n 240 gemeenten erop vooruitgaan en ongeveer 380 gemeenten geld inleveren.

Het kabinet is gisteren akkoord gegaan met een voorstel van die strekking. Bij de nieuwe verdeling verliest de grootte van de gemeente aan belang. In plaats daarvan worden sociale structuur, centrumfunctie en draagkracht meer bepalend. Ook zal bij de verdeling van het geld rekening worden gehouden met het vermogen van een gemeente om zelf geld te verwerven, met name via de onroerende-zaakbelasting.

Door de andere verdeling krijgen gemeenten met hoge kosten en weinig eigen inkomsten in de toekomst verhoudingsgewijs meer geld uit het gemeentefonds. Ook komt er, aldus het kabinet, een verschuiving 'van de rand naar de stad'. Daarbij kunnen in het ergste geval de inkomsten van een gemeente uit het gemeentefonds 49 procent dalen; maximaal zullen ze 24 procent stijgen.

De nieuwe verdeling is gebaseerd op een voorstel van de Raad voor de Gemeentefinanciën. Uit onderzoek door die raad bleek dat in veel centrumgemeenten de belastinginkomsten laag zijn en de sociale problemen groot, terwijl zij vaak ook nog de voorzieningen leveren waarvan de omliggende regio gebruik maakt. De aangrenzende gemeenten hebben meestal veel belastinginkomsten en een goede sociale structuur.

De huidige verdeelsleutel gaat uit van grootte en bebouwingsdichtheid, waardoor met dit soort verschillen weinig rekening wordt gehouden. Ook de kleinere centrumgemeenten en kleine, geïsoleerd liggende gemeenten buiten de Randstad, alsmede kleinere gemeenten met een slechte sociale structuur worden door die verdeelsleutel tekort gedaan, zo bleek uit het onderzoek.

De Tweede Kamer sprak eerder al met de staatssecretarissen Vermeend (financiën) en Van de Vondervoort (binnenlandse zaken) over de andere verdeling van het gemeentefonds. De Tweede Kamer kan zich erin vinden. Onder de gemeenten heeft het voorstel tot veel discussie geleid.

Hierbij ging het vooral om de rol van de onroerende-zaakbelasting en de kosten van de Algemene Bijstandswet. Het kabinet wil dat de belastingcapaciteit op de totale uitkering uit het gemeentefonds in mindering wordt gebracht. Deautonomie van gemeenten om zelf de hoogte van de onroerende-zaakbelasting vastte stellen, blijft daarbij intact. Op dit moment onderzoekt een interdepartementale werkgroep hoe gemeenten ertoe kunnen worden gebracht minder beroep te doen op de Algemene Bijstandswet.

Het kabinet stelt een overgangsperiode van drie jaar voor. In die tijd kunnen gemeenten hun uitgaven- en belastingniveau aanpassen.