Internationale verdragen ondersteunen Koerdisch parlement

Nederland kon de bijeenkomst van het Koerdische parlement niet verbieden, zolang het zijn eigen Grondwet serieus neemt. Dat is in de kern de reactie van de Nederlandse overheid op de oprichting van dat parlement in ballingschap. De Grondwetsbepalingen waar het om draait zijn de artikelen 8 en 9, die respectievelijk 'het recht tot vereniging' en 'het recht tot vergadering en betoging' regelen. In de discussie is vooral verwezen naar de begrenzingen van deze rechten (art. 8: 'het belang van de openbare orde'; art. 9: 'De wet kan regels stellen (...) ter bestrijding of voorkoming van wanordelijkheden'), zonder dat wordt aangegeven dat de Nederlandse wetgeving, bestuurspraktijk en rechtspraak buitengewoon terughoudend omspringen met inkleuring van deze mogelijkheden tot inperking. Dat laatste had wel wat meer mogen worden benadrukt.

“Ondertussen”, aldus NRC Handelsblad van 25 april (bijdrage van Willebrord Nieuwenhuis en Frank Vermeulen), “lijken er over de verhouding tussen de Grondwet en het openbare-orde-argument twee scholen te bestaan. De puur legalistische, die overeenkomt met de uitleg die het kabinet op dit moment geeft, en een meer pragmatische school: deze zegt dat iedere vergadering met het argument van de bedreiging voor de openbare orde kan worden verboden.”

Ik geloof niet dat dit een juiste weergave van de discussie is. In de eerste plaats impliceert deze formulering dat de regering zich formalistisch heeft opgesteld, terwijl zij naar mijn mening op goede inhoudelijke gronden heeft gekozen voor het standpunt dat zij heeft ingenomen en daarvan de onontkoombaarheid heeft ingezien. In de tweede plaats denk ik dat de alternatieve benadering niet zozeer pragmatisch, alswel opportunistisch is. Wanneer in situaties als deze wordt gespeculeerd op mogelijke toekomstige bedreigingen van de openbare orde en daaraan de conclusie wordt verbonden dat dus nu maar reeds het principe van de vrijheid van vereniging en vergadering dient te worden ingeslikt, dan is dat een zeephelling, een rechtsstaat onwaardig. Dat laat uiteraard onverlet dat zich in de toekomst reële - dat wil zeggen: met de reguliere middelen niet hanteerbare - bedreigingen van de openbare orde kunnen voordoen. Dat raakt dan echter niet meer aan het besluit om een oprichtingsvergadering toe te staan, wat per definitie een eenmalige gebeurtenis is. Van belang is in dit verband verder dat het parlement in ballingschap weliswaar het voornemen heeft elke drie maanden te vergaderen, maar dat die vergaderingen overal kunnen plaatsvinden, ook buiten Nederland dus.

Een belangrijke vraag lijkt te zijn of er tijdens de oprichtingsvergadering en in de eerste 'wetgevende dagen' daarna, sprake is geweest van het oproepen tot strafbare feiten of iets dergelijks. Wie kijkt naar de openingsspeech, naar 'wet nr. 1' (onderwerp: algemeen), naar de statuten van het Parlement in ballingschap, naar het programma van de Uitvoerende Raad en naar enkele andere resoluties, aangenomen tussen 12 en 16 april, ziet dat het parlement in ballingschap de Turkse overheid zeer kritisch toespreekt in verband met haar behandeling van de Koerden (wat op zichzelf niet onoirbaar is), maar wat domineert zijn termen als 'democratische wegen' en 'dialoog'. Het PKK-geluid is evident niet dominant, wat ook moeilijk anders zou kunnen gezien de getalsmatige verhoudingen in het parlement (12 PKK-ers op 65 parlementsleden).

Kijkend naar de juridische merites van de discussie valt het verder op dat het Grondwetsargument centraal heeft gestaan, maar dat een voor de hand liggend ander argument - voor zover ik heb waargenomen - niet is gebruikt. Het betreft de verdragsrechtelijke gronden voor de vrijheid van vereniging en vergadering. Nederland heeft in 1978 het VN-Verdrag inzake Burger- en Politieke rechten geratificeerd, en dit verdrag bevat eveneens bepalingen met betrekking tot het 'recht van vreedzame vergadering' (artikel 21) en 'vrijheid van vereniging' (artikel 22). We hebben hier te maken met artikelen die in onze rechtsorde van zeer grote betekenis zijn (rechtstreeks werken) en een beroep daarop had de Nederlandse positie nog verder kunnen markeren. Daarnaast had een beroep op het Europese Mensenrechtenverdrag (artikel 11) voor de hand gelegen. Nederland is sinds 1954 partij bij dit verdrag, en een verwijzing ernaar zou te meer zinvol zijn geweest waar ook Turkije, eveneens in 1954, het verdrag heeft geratificeerd (het VN-verdrag heeft Turlkije tot op heden - ondanks diverse toezeggingen - nog niet geratificeerd).

“Ik ga niet terug kruipen. We hoeven ons nergens voor te schamen”, zo liet minister Van Mierlo woensdag in de Kamer weten. Ik ben het daarmee eens. Zoals de regering eerder niet naar smoezen lijkt te hebben gezocht bij het bepalen van haar standpunt, heeft zij nu getoond de consequenties van dat standpunt te willen dragen. Terecht is ervoor gekozen ook bij enige tegenwind geen uitverkoop van rechtsstatelijke principes te houden. Zoals ik het ook terecht vind dat de regering niet heeft meegedaan aan de automatische gelijkstelling tussen de PKK en de rest van de - 40 miljoen - Koerden. Deze koppeling is immers gezien de aandacht in de media wellicht begrijpelijk, maar verder vooral lichtzinnig.