Hoge rivieren, kwetsbare Betuwe

Het deltaplan voor de grote rivieren is sinds 18 april in uitvoering. Dat woord deltaplan geeft al aan, dat we de rivierdijken ophogen, net als de zeedijken na 1953. Het klassieke antwoord op overstromingen vanuit zee is altijd geweest: het verhogen van dijken. Overstromingen van rivieren zijn vanaf de twaalfde eeuw met hetzelfde recept aangepakt. Na acht eeuwen van rivierdijkverhogingen blijkt echter dat rivierbodems één meter zijn opgeslibt en dat het tegen rivierwater te beschermen land zo'n vijf meter is 'ingeklonken' (ingezakt) door uitdroging.

Dit opslibben van de rivier zal doorgaan en het rivierwater zal daardoor navenant stijgen, zodat de rivierdijken telkens verhoogd moeten worden, om het voortdurend inklinkende land te blijven beschermen tegen overstromingen. Maar hoe lang kunnen we daarmee doorgaan? Want hoe hoger een rivierdijk wordt, des te groter wordt de ramp als hij doorbreekt! De diepte en het oppervlak van de overstroming zijn dan groter.

Gelukkig is er een alternatief. We kunnen het waterpeil verlagen door de rivierbodem, het zomerbed (tussen de kribben) en het winterbed (tussen de bandijken) te verlagen. In feite wordt dan rivierslib verwijderd, zodat het water van de rivier daalt en daardoor de dijken niet meer verhoogd hoeven te worden.

Het verlagen van de rivier gebeurt al lang. Er staan reeds eeuwen talrijke baksteenfabrieken in de uiterwaarden, in het winterbed dus, die hun klei uit de rivierbedding halen en zo het rivierbed en dus ook de rivier verlagen. Maar de rivieren kunnen ook worden uitgebaggerd, zoals in Rotterdam, zodat de schepen daar niet in de haven vastlopen.

In het najaar van 1993 hoorde ik op het ministerie van verkeer & waterstaat van hoge ambtenaren die verantwoordelijk waren voor infrastructuur, waterkering en grondverzet, dat rivierverlaging niet alleen technisch wenselijk, maar zelfs politiek haalbaar was.

Sindsdien en twee bijna-rampen later, lezen we echter alleen nog maar over rivierdijkverhogingen. Waarom? Vanwege de haast? Daar is begrip voor. Maar intussen kan de rivierverlaging toch beginnen? Ooit zal de nu al acht eeuwen oude trend van telkens een rondje dijkverhoging moeten overvloeien in een 'nieuwe' trend van rivierverlaging, omdat we niet eeuwig kunnen blijven doorgaan met rivierdijkverhogingen. De vraag is niet òf, maar wanneer, in welk tempo, en hoe de rivierverlaging moet gebeuren!

Er bestaat een bekend rapport: 'Rivierbodems? Te vies om aan te pakken!' Er zitten zoveel zware metalen in het slib op de rivierbodem, dat dit door sommigen wordt gezien als reden om de rivier vooral niet uit te baggeren; maar door anderen om dat juist wel te doen, omdat de rivierbodems dan schoon zijn en er niet langer voedselketens door worden vergiftigd. Maar waar laten we dat vervuilde slib? Slib reinigen is zo duur!

Ik stel voor hier een aparte slufter voor te maken, zoals die gebouwd is, en gebruikt wordt, voor het uitgebaggerde giftige Rotterdamse havenslib. Een slufter is een ringvormige dijk, rondom een waterdicht gemaakte zeebodem, om vervuild slib in op te slaan. Deze slufter wordt zo, op den duur, een kunstmatig eiland in zee, waarop een scheepshaven en een luchthaven kunnen worden gebouwd, met name ook voor nachtvluchten.

Als de Betuwelijn en een snelweg via een pier op deze 'vluchtheuvel' in zee eindigen, kunnen daar met gemak vier vervoersmodaliteiten worden gecombineerd: vlieg-, water-, spoor- en wegtransport van goederen èn personen. Dan hebben we pas echt een goede concurrentiepositie. Dat is uniek, dag èn nacht, alle overlaadmogelijkheden voor alle soorten verkeer van vracht en mensen. Maar dat gebeurt misschien pas als de Betuwelijn niet of onvoldoende zou renderen, om haar zo alsnog rendabeler te maken.

Kortom: rivierdijkverhogingen kunnen we stap voor stap verdedigen, maar globaal niet. Die trend werkt nu, onbedoeld, averechts. Het is tijd voor een trendbreuk: rivierverlaging! Het juiste recept voor zeedijken kunnen we niet nòg langer ook op rivierdijken blijven toepassen. Hoe hoger onze rivieren liggen, hoe kwetsbaarder de Betuwe.