Gespleten hoofden in Brussel

Voorstelling: Kopnaad van Stefan Hertmans door Kaaitheater. Regie: Jan Ritsema; spel: Eugène Bervoets, Kitty Kortes Lynch, Dirk Roofthooft, Johanne Saunier; muziek: Walter Hus. Gezien: 26/4 Rotterdamse Schouwburg. Tournee t/m 3/6

Diepzinnig of onzinnig, waar in Kopnaad nu precies de grens ligt valt moeilijk vast te stellen. De tekst heeft een schijn van eruditie, maar klinkt tegelijkertijd als wartaal in de oren - de zinnen willen maar geen betekenis krijgen.

Wat Stefan Hertmans hier demonstreert is het zogenaamde failliet van de taal. In zijn uit 1991 daterende en nu voor het eerst geënsceneerde theaterdebuut voert hij een personage op, onaangepast aan de maatschappij en door waanzin gegrepen, voor wie woorden hun inhoud hebben verloren. Met stomheid geslagen, zoals je zou verwachten, is hij echter niet. Integendeel. Deze figuur verenigt vier stemmen in zich en al die stemmen laten voortdurend van zich horen. Hertmans gaf zijn stuk dan ook als ondertitel 'Een tekst voor vier stemmen'.

Het zijn de stemmen van twee mannen en twee vrouwen. De vrouwen komen het minst aan bod: zij vormen het koor en zijn naamloos. De mannen heten Friedl en Lenz, namen die referen aan Friedrich Hölderlin, Friedrich Nietzsche en Jakob Lenz.

Het zijn echter niet alleen deze dichters die in gedachten worden geroepen: Hertmans' tekst zit boordevol schimmige verwijzingen naar Duitse historische en literaire figuren als Georg Trakl, Ernst Herbeck, Kaspar Hauser en Woyzeck die allen krankzinnig werden en zich op een gegeven moment letterlijk in sprakeloze waanzin van de samenleving afwendden. Hun gespletenheid wordt volgens Hertmans gesymboliseerd door de fontanel die zich bij hen nooit zou hebben gesloten en hij bedacht er een woord voor: kopnaad.

De vier stemmen in Kopnaad verwoorden die gespletenheid op nogal ontoegankelijke wijze doordat gebeurtenissen, gedachten, fantasieën en wat niet al voortdurend over elkaar heen tuimelen zonder dat er sprake is van enige lijn of logica. Niettemin heeft regisseur Jan Ritsema er toch nog iets van structuur in kunnen aanbrengen waardoor de voorstelling van het Brusselse Kaaitheater aardige momenten kent.

De bindende factor in deze enscenering is de muzikale interpretatie van het stuk. De acteurs geven de gesproken tekst een tegenstem door te neuriën, te hummen en ritmische klanken uit te stoten. Af en toe barsten ze zelfs los in gezang. De schmiere, die vooral door Dirk Roofthooft wordt uitgebuit, krijgt daarbij soms de overhand en dat zijn de ogenblikken waar je een voorstelling lang op teert.

Die vrolijke relativering spreekt ook uit de aankleding die inderhaast uit een incomplete verkleedkist lijkt geplukt. De aankleding ironiseert en laat tegelijkertijd zien hoe de tekst sprongen in de tijd maakt, van Verlichting en Romantiek naar heden. Roofthooft (Friedl) is de opvallendste met zijn achtiende-eeuwse jas en pruik boven een onderbroek en blote benen. Eugène Bervoets (Lenz) draagt een twintigste-eeuws kostuum en ook Kitty Kortes Lynch en Johanne Saunier, beiden als danseres eerder te zien bij Anna Teresa De Keersmaeker, zijn deels historisch en deels modern gekleed.