Gelukkig zit een euromunt er voorlopig niet in

Na de verrassende uitslag in de eerste ronde van de Franse presidentsverkiezingen kwam de Franse franc onmiddellijk onder druk, maar de financiële markten zetten hun aanval niet door en de franc herstelde zich. Niettemin hebben de Europese valutamarkten de afgelopen maanden hun portie onrust gehad. Deze koersschommelingen zijn volgens Alman Metten, Europarlementariër van de PvdA, een argument om snel over te gaan op één gemeenschappelijke Europese munt (NRC Handelsblad, 20 april). De turbulenties van de valutamarkten hebben volgens Metten de kansen op de laatste fase van de economische en monetaire unie (EMU) niet kleiner gemaakt, maar juist vergroot.

Metten, die in het Europarlement doorgaat voor monetair deskundige, hanteert een redenering met Franse trekken. De macht van de financiële markten die met hun speculatieve aanvallen munten onderuit halen en regeringen in verlegenheid brengen, zit hem dwars. Ook zet hij zich af tegen het 'dollar-privilege' van de Verenigde Staten: Metten verwacht dat de toekomstige Europese munt (die hij in navolging van de Fransen ten onrechte 'ecu' noemt) de rol van de dollar als internationale reservemunt gedeeltelijk zal overnemen. Dat brengt extra welvaart voor Europa met zich mee, die nu aan de Amerikanen toevalt.

Bij zijn argumenten voor monetaire eenwording gaat de Europarlementariër voorbij aan de oorzaken van speculatieve aanvallen op munten. Die zijn gelegen in ongelukkige politieke uitspraken (de Franse presidentskandidaat Chirac is daar goed in: zijn kritiek op de Banque de France vertaalde zich onmiddellijk in een lagere franc) en in te lang volgehouden verkeerd economisch en monetair beleid. Financiële markten straffen het politieke onvermogen om gezonde overheidsfinanciën en een op stabiliteit gericht monetair beleid te voeren, af met een aanval op een munt.

Voor Metten is de snelle stap naar één munt een besluit dat tegen de wil van de bevolking genomen moet worden. Zo stelt hij dat in 1998 verkiezingen in Frankrijk en Duitsland plaatsvinden en dat afschaffing van de D-mark en de franc in 1999 electoraal geen aanlokkelijk perspectief is. Daarom moet volgens deze volksvertegenwoordiger worden besloten om in 1997, voordat de Franse of Duitse kiezers zich daartegen kunnen uitspreken, de definitieve stap naar één munt te zetten.

En Metten maakt het nog doller. Als een gestaald planpoliticus stelt hij: “...het kan natuurlijk niet zo zijn dat de politieke beslissing om met de EMU te beginnen in 1996 genomen zou kunnen worden, maar dat de technische voorbereiding niet gereed is en de hele operatie alleen daarom een paar jaar uitgesteld zou moeten worden.” Dit geloof in het primaat van de politieke sturing (zie voor de uitwerking hiervan in Nederland ook de afgang van de groene Schengen-kaart op Schiphol) zou de macht van de financiële markten moeten beteugelen.

Maar kan een Europese munt in 1997 worden ingevoerd? Nee. Artikel 109 J van het Verdrag van Maastricht regelt de overgang naar de slotfase van de monetaire unie. Daarin staat dat eind 1996 een meerderheid van de lidstaten - mits ze aan de criteria voor inflatie, rente, stabiliteit van de munt en gezondheid van de staatsfinanciën voldoen - de stap naar één munt in 1997 kan maken. Is dat niet het geval, dan wordt in 1998 bekeken welke landen voldoen en dan kan die beperkte groep in 1999 besluiten tot onlosmakelijk aan elkaar geklonken munten. Metten haalt een rapport aan van de Amerikaanse bank Salomon Brothers waarin volgens hem overtuigend wordt aangetoond dat een meerderheid van de EU-landen eind 1996 aan de gestelde criteria voldoet. Hij heeft dat rapport niet gelezen, want het merkt slechts op dat op politieke gronden een monetaire unie in 1997 niet uitgesloten moet worden, maar dat dit een buitengewoon slecht idee zou zijn waartegen verstandige beleggers zich moeten indekken. De financiële markten zouden het nooit geloven en een monetaire unie met zwakke munten onmiddellijk kapot speculeren.

Een meerderheid van de EU betekent na de toetreding van Oostenrijk, Zweden en Finland acht landen. Deze drie nieuwe landen hebben de kans op EMU in 1997 niet vergroot maar verkleind: Oostenrijk is weliswaar een monetair stabiel land, maar Zweden en Finland kampen met enorme monetaire en begrotingsproblemen. Bovendien is een criterium van 'Maastricht' dat een munt twee jaar lang zonder problemen deel uitmaakt van de 'normale fluctuatiemarges' van het wisselkoersmechanisme van het huidige Europese Monetaire Stelsel (EMS). Duitsland heeft herhaaldelijk gesteld dat het de oprekking van de EMS-marges, de noodgreep waartoe werd besloten in augustus 1993 om de crisis met de Franse franc te bezweren, niet als de normale band beschouwt, maar dat dit nog altijd de oude 'smalle marges' van het EMS zijn. Aan die eis voldoen slechts de D-mark, de Oostenrijkse shilling, de gulden en met moeite de Belgisch/Luxemburgse frank.

Wat het criterium gezonde overheidsfinanciën betreft valt België uit: het heeft de grootste staatsschuld van de Europese Unie. Ook de Nederlandse staatsschuld ligt nog altijd ver boven het toegestane maximum.

Zolang wordt vastgehouden aan een letterlijke interpretatie van 'Maastricht' - en daarop zullen zeker de centrale banken blijven aandringen - is een 'meerderheid' in 1996 dus uitgesloten.

Dat is helemaal geen ramp. Beter gezegd: het is maar goed ook voor Nederlanders die hechten aan de waarde van hun geld in te toekomst. Daarover bestaan (zie ook het artikel van B.C.M. Lubbers op de opiniepagina van 27 maart) toch al genoeg misverstanden. Want wat is het voordeel dat inwoners van een land met een harde, stabiele munt zouden hebben van snelle invoering van een euromunt met een meerderheid van de Europese landen? Dan is verwatering van die munt verzekerd. Duitsers, Nederlanders of Oostenrijkers hebben - vooralsnog - geen enkel belang bij een een gemeenschappelijke munt met Zweden, Italië of Spanje. Ze zouden dan immers de voordelen van een sterke munt inruilen voor de onzekerheid van zwakke munten van landen met enorme problemen met hun overheidsfinanciën. Dan gaat de rente omhoog en de koopkracht omlaag.

Zou Metten dat zijn kiezers willen aanbevelen? Of zou hij, net als minister van buitenlandse zaken Van Mierlo in het debat over de Nederlandse netto-afdracht aan Brussel, van mening zijn dat het ideaal van 'Europa' voor Nederlanders wel een prijs waard is? Zoveel is zeker, het ontbreekt de vice-voorzitter van de economische en monetaire commissie van het Europarlement aan monetaire deskundigheid en kennis van de werking van financiële markten.