Formule I-circus jaar na dood van beroemde Braziliaan terug op het circuit van Imola; Als geen ander zocht Senna grenzen van zijn kunnen

Op het circuit van Imola waar vorig jaar Ayrton Senna dodelijk verongelukte, wordt morgen de Grote Prijs van San Marino gereden. “Het moet moeilijk worden om jezelf te verwonden in een Formule I-wagen”, zegt FIA-voorzitter Mosley.

ROTTERDAM, 29 APRIL. Het wrak van Senna's racewagen staat nog altijd in een zwaar bewaakte politie-garage in Bologna. Het onderzoek naar het dodelijke ongeluk van de Braziliaanse coureur op 1 mei 1994 is twaalf maanden later nog steeds niet afgerond. Aan de vooravond van de Grand Prix van Imola is Williams-ontwerper Patrick Head, Senna's race-ingenieur vorig jaar, door de Italiaanse justitie aan een langdurig verhoor onderworpen. Maar het Formule I-circus heeft inmiddels de draad weer opgepakt. Ondanks het feit dat zeventien personen de mogelijkheid wacht dat ze worden aangeklaagd voor dood door schuld.

Morgen staan er weer zesentwintig racewagens aan de start voor de Grote Prijs van San Marino op het circuit van Imola in Italië. Het circuit waar een jaar geleden twee dodelijke slachtoffers en negen gewonden vielen. Eerst was er de crash van Barrichello, die op wonderbaarlijke wijze ongeschonden uit zijn wagen kwam. Tijdens de training op zaterdag volgde het dodelijk ongeluk van Ratzenberger. Op zondagmiddag eindigde het dramatisch weekeinde met het dodelijk ongeluk van de 34-jarige Senna in de race. Het waren de eerste doden in de Formule I sinds acht jaar.

De coureurs spraken deze week in Imola slechts met uiterste behoedzaamheid over de ongevallen van vorig jaar. Zij kunnen hun beroep slechts uitoefenen door het risico, de gevaren en de dood naar de achtergrond te dringen. “Het heeft weinig zin je daarin te verdiepen”, zei de Duitse wereldkampioen Michael Schumacher. “Je kunt de tragische gebeurtenissen toch niet meer terugdraaien en ik kan mijn gevoelens niet beschrijven. Geestelijk wordt het een uitermate zware race.”

In theorie is de Formule I dit jaar veiliger dan vorig jaar. Door strenge regels van de FIA (Federation Internationale de l'Automobile) is de snelheid van de wagens teruggedrongen. De motoren zijn ingekrompen van 3.500 cc naar 3.000 cc, het chassis is verzwaard, de aerodynamica is veranderd om in bochten de rijders te dwingen hun snelheid te verminderen. Daarnaast zijn de eisen voor de crash-testen aangescherpt. Bovendien is er een veiligheidscommissie geïnstalleerd die nog meer wijzigingen zal doorvoeren.

“Iedereen vraagt zich af waarom er niet eerder aan de veiligheid is gewerkt”, zei Max Mosley, voorzitter van de FIA, vorige week in de Engelse krant the Independent. “Het antwoord is: de cultuur van de Formule I. Die stond vijandig tegenover verbeteringen van de veiligheid.” Vijfentwintig jaar geleden, gaf Mosley als voorbeeld, accepteerde iedereen dat op grote delen van circuits - als er iets mis ging - de rijder buitengewoon veel geluk nodig had om ongeschonden uit zijn wagen te stappen. Die delen van de circuits zijn inmiddels aangepast of verwijderd.

Ook het Enzo e Dino Ferrari-circuit in Imola, vorig jaar het snelste ter wereld, is grondig verbouwd en iets ingekort om de veiligheid te vergroten. “Ons doel is om het onmogelijk te maken jezelf te verwonden in een Formule I-wagen”, vertelde Mosley. “Dat zullen we waarschijnlijk nooit bereiken, maar het zal ons wel lukken om het moeilijk te maken jezelf te verwonden.”

Het verschil in impact van de dood van Ratzenberger en dood van Senna is schrijnend. De Oostenrijker Ratzenberger was een van de coureurs die hun team geld (meestal van een lokale sponsor) betalen om te mogen rijden. Het was waarschijnlijk zijn onervarenheid die hem zijn leven kostte. Na een lichte botsing met een andere wagen tijdens de kwalificatie verzuimde hij zijn wagen in de pits te laten inspecteren. Halverwege de volgende ronde brak de stabiliserende achtervleugel af en verloor hij de macht over het stuur. Ratzenberger reed in een Simtek-wagen van het team waar dit jaar de Nederlander Jos Verstappen voor rijdt.

Ayrton Senna stond al twaalf seizoenen aan de top. Hij was drievoudig wereldkampioen, winnaar van 41 Grand-Prix's, recordhouder van het aantal pole-positions. De gedrevenheid waarmee Senna zijn racestaf bestookte om daarna met zijn wagen een nog snellere trainingsronde neer te zetten, dreef de monteurs en ingenieurs vaak tot pure wanhoop en nachten overwerk.

Hij wordt beschouwd als minimaal de grootste coureur van het afgelopen decennium, misschien wel de beste aller tijden. Hij reed in een van de beste wagens, bij het team dat de twee jaar daarvoor wereldkampioen was geworden.

Senna was geen roekeloos coureur. De schoonheid van autosport, schrijft de Engelsman Richard Williams in een boek over de dood van Senna dat op 1 mei verschijnt, is de aanblik van een man die zichtbaar in gevecht is met zijn machine. Een man vechtend op de grens van wat mogelijk is, voorbij die grens, maar terugkerend om erover te kunnen vertellen.

Sommige coureurs, schrijft Williams, bezitten een combinatie van extreme snelheid en extreme moed. De Engelsman Nigel Mansell, wereldkampioen in 1992, is daar een voorbeeld van. Hij haalt met pure wilskracht het uiterste uit zijn wagen, ook uit een inferieure machine. Daartegenover staan de kalmere en preciezere geesten, zoals de Fransman Alain Prost, wereldkampioen in 1993. Prost was vooral koel, zijn temperament verschoond van ieder gevoel voor drama.

De rijstijl van Senna hield het midden tussen deze twee uitersten. “Als coureur”, zegt Williams, “combineerde Senna een foutloze techniek, een calculerende geest en een onvoorwaardelijk geloof in zijn eigen superioriteit met een schaamteloze agressie en de bereidheid om zijn tegenstanders te verslaan met intimidatie. Wat Senna boven zijn concurrenten deed uitstijgen waren bovenal zijn intellectuele capaciteiten.”

Als geen ander zocht de Braziliaan naar de grenzen van zijn kunnen. Als geen ander wist hij dat gevecht zichtbaar te maken op een racebaan en wist hij te verwoorden hoe dat gevecht verliep. Het bekendste voorbeeld was een interview waarin Senna vertelde over de kwalificatie voor de Grote Prijs van Monaco in 1988. “Plotseling realiseerde ik me”, vertelde Senna, “dat ik de wagen niet meer bewust reed. Ik reed op instinct, in een andere dimensie. Alsof ik in een tunnel reed. Niet de tunnel in het circuit, onder het hotel door. Het hele circuit was een tunnel. Ik reed en reed, meer en meer en meer. Ik was voorbij de grens en kon verder. Tot ik plotseling wakker werd en me realiseerde dat ik me in een andere omgeving bevond dan gewoonlijk. Ik ben meteen opgehouden, reed rustig naar de pits. Het beangstigde me omdat niet begreep wat er was gebeurd.”

Deze bijna mystieke ervaring van Senna, en zijn bereidheid er over te vertellen, werd regelmatig geïnterpreteerd als arrogantie. Hij was een diep gelovig man. Maar hij reed niet met god aan zijn zijde. “Het doet me pijn als mensen denken dat ik mezelf onsterfelijk of onverslaanbaar acht door mijn geloof in god. God geeft me kracht, maar het leven is een gift. Wij zijn verplicht daar voorzichtig mee om te gaan.”

Zijn ervaring in Monaco, in een moment van uiterste concentratie, is beter te vergelijken met overeenkomstige ervaringen van bijvoorbeeld bergbeklimmers die in noodweer onvermoede krachten weten te vinden, tennissers die in een finale urenlang niets anders zien dan de tennisbal of musici die tijdens een uitvoering samenvloeien met hun instrument. Maar het blijven zeldzame momenten, voorbehouden aan de grootsten in hun vak.

Het feit dat het onderzoek naar de dood van Senna nog steeds niet is afgerond, is niet zonder betekenis. Het zou voor de Formule I-coureurs en de fans moeilijk te accepteren zijn als juist Senna een stuurfout zou hebben gemaakt. Het is voor de sport bijna even moeilijk te accepteren als een technische fout de oorzaak van het ongeluk is geweest.

Op 1 mei 1994 brak waarschijnlijk de stuurstang van Senna, zegt een 500 pagina's tellend voorlopig rapport van Italiaanse onderzoekers. Hij reed, met een los stuur in zijn handen, met bijna 300 kilometer per uur rechtdoor waar het circuit scherp naar links boog. Hij remde, maar botste met 210 kilometer per uur frontaal op een muur. Hij werd gedood toen delen van de voorwielophanging zijn helm doorboorden.

De stuurkolom was voor de wedstrijd op Senna's verzoek veranderd. De nieuwe, dunnere versie was mogelijk niet sterk genoeg. In het onderzoek staan de renstal van Senna (Williams-Renault), de eigenaar Frank Williams, de ontwerper Patrick Head, de helm-fabrikant en een aantal anderen onder verdenking van dood door schuld.

De renstal bestrijdt de bevindingen van het voorlopige rapport. Hun data - de wagens staan voortdurend in verbinding met de computers in de pits - geven aan dat de stuurinrichting werkte tot het moment van de botsing. “Het is vrijwel onmogelijk om vast te stellen of iets kapot ging door de botsing of dat iets kapot ging dat de botsing veroorzaakte”, verklaarde ontwerper Head voor het begin van dit seizoen.

Wat de organisatoren van het Formule I-circus kwalijk wordt genomen, is het laten doorgaan van de wedstrijd vorig jaar. Na het ongeluk van Senna werd de race stilgelegd, maar later opnieuw gestart. De coureurs reden hun rondjes op het asfalt waar een grote plas bloed van Senna lag. De dood van Senna werd pas een paar uur na de wedstrijd officieel bekend gemaakt. Het circus maakte eerst een buiging voor de televisiezenders. Mosley en Ecclestone, de grote commerciële mannen, zijn in Brazilië uitgemaakt voor op geld beluste huurmoordenaars.

In the Independent onthulde FIA-voorzitter Mosley deze week hoezeer de Formule I na de dood van Senna op het randje van de afgrond balanceerde. “De veranderingen die we hebben doorgevoerd waren het absolute minimum dat nodig was om de betrokkenheid van grote bedrijven, zowel van binnen als van buiten de autowereld, in stand te houden”, zei Mosley. “Overal begon men zich af te vragen of Formule I mocht blijven bestaan. Of we wel wisten waar we mee bezig waren. Wij wisten dat ongelukken altijd konden gebeuren en dat het samenvallen van al die ongelukken op Imola toeval was. Maar de buitenwereld wilde dat niet geloven.”