Elk land zijn eigen oorlog

R.J.B. BOSWORTH: Explaining Auschwitz & Hiroshima. History writing and the Second World War 1945-1990

350 blz., Routledge 1994, ƒ 46,15

Geschiedschrijving informeert ons altijd over het verleden èn over de wijze waarop een cultuurgroep met haar verleden - en dus in zekere zin met zichzelf - omgaat. Daarom biedt de geschiedenis van de geschiedschrijving ofwel de historiografie een belangrijke ingang om culturen te bestuderen. Voor de geschiedschrijving van de Tweede Wereldoorlog geldt dit in het bijzonder, omdat deze oorlog zo veel diepe sporen heeft nagelaten.

Nu laat zich alleen iets zinnigs over de historiografische verwerkingswijzen van cultuurgroepen als naties zeggen door onderlinge overeenkomsten en verschillen vast te stellen. Een comparatieve werkwijze ligt daarom juist hier voor de hand. Deze verwachting wordt echter door de praktijk gelogenstraft, omdat de historiografie doorgaans langs nationale grenzen wordt beoefend; zo ook die van de Tweede Wereldoorlog.

Sinds kort is er gelukkig een boek - Explaining Auschwitz & Hiroshima. History writing and the Second World War 1945-1990 van de Australische historicus R.J.B. Bosworth - waarin een vergelijkende historiografie van de Tweede Wereldoorlog te vinden is. Engeland, (West-)Duitsland, Frankrijk, Italië, de Sovjet-Unie en Japan komen achtereenvolgens aan bod. Het is dus een studie, die zich op de grote lijnen concentreert.

De centrale organiserende concepten van het boek zijn 'de lange Tweede Wereldoorlog', 'Auschwitz' en 'Hiroshima'. Met de 'lange Tweede Wereldoorlog' doelt Bosworth op deze oorlog inclusief de directe voor- en nageschiedenis. Het begin voor bijvoorbeeld Italië is 1922 en voor Duitsland 1933, de tijdstippen waarop de fascisten en nazi's aan de macht kwamen. Het eindpunt is volgens Bosworth het moment, waarop de naoorlogse ordening van Europa ineenstortte en deze oorlog zijn functie als ijkpunt in de politiek definitief verloor. Dit gebeurde in 1990 toen de Duitse deling te niet werd gedaan en de Sovjet-Unie uiteenspatte. Tussen 1945 en 1990 is de Tweede Wereldoorlog volgens Bosworth veranderd van een politiek en moreel monument in een gewoon stuk verleden.

Dat dit proces bijna 50 jaar geduurd heeft is verklaarbaar door 'Auschwitz' en 'Hiroshima'. 'Auschwitz' is het symbool geworden voor de fabrieksmatige massamoord door nazi-Duitsland en de politieke les dat dit Duitsland nooit meer verenigd mocht zijn. 'Hiroshima' is na 1945 de symbolische afkorting geworden voor nucleaire vernietiging en voor de politieke les dat een volgende wereldoorlog letterlijk totaal zou zijn. Het verbod op de verspreiding van kernwapens behoorde daarom lang tot het politieke ABC. Bosworth's boek vertelt au fond hoe deze twee lessen voor het leven verloren zijn gegaan.

Het is de grote verdienste van Bosworth's studie dat deze niet alleen verschillen, maar ook overeenkomsten tussen de nationale historiografische tradities analyseert. Die verschillen waren te verwachten omdat geschiedschrijving niet zelden een voortzetting van oorlog is, zij het met andere middelen. Zo was het voor Engelse historici direct na 1945 zonneklaar dat het militaristische en ondemocratische Duitsland de verantwoordelijkheid droeg voor beide wereldoorlogen. Volgens Duitse historici lag dit een tikkeltje anders: niet Duitsland was het probleem, maar de ongelukkige geografische plaats van Duitsland na 1871 en zijn beroerde imago.

In zowel Engeland als West-Duitsland werd de naoorlogse orthodoxie in de jaren zestig opengebroken door twee historici, die hun naam aan de door hen ontketende controversen gaven. A.J.P. Taylor gooide met zijn Origins of the Second World War (1961) een knuppel in het Engelse hoenderhok met zijn stelling dat Hitler gewone machtspolitiek had bedreven. En Fritz Fischer bezorgde zijn Duitse collega's collectief een nachtmerrie met zijn Griff nach der Weltmacht (1961) en de stelling dat Duitsland beide wereldoorlogen doelbewust had veroorzaakt. In beide landen maakte de orthodoxie in de loop van de controversen plaats voor een veelheid aan perspectieven.

De Historikerstreit uit 1986/87 interpreteert Bosworth als de tweede acte van de Fischer-controverse. Conservatieve Duitse historici probeerden toen het nationale Duitse verleden te rehabiliteren, waarvoor het 'vlekje' van het Derde Rijk eerst vakkundig moest worden weggewerkt.

Complexer lag de historiografische situatie na 1945 in Frankrijk en Italië. Naast het geallieerde Frankrijk had immers het collaborerende Frankrijk van Vichy bestaan en naast het fascistische Italië van Mussolini het anti-fascistische Italië van Badoglio. De Franse en Italiaanse historici identificeerden na 1945 hun landen gemakshalve met de geallieerde overwinnaars, net als hun politieke klassen van rechts tot links deden. In Frankrijk duurde het zelfs tot de jaren zeventig voordat deze identificatie en de nationale oorlogsmythe van 'Het Verzet' ter discussie konden worden gesteld.

Ophüls film Le chagrin et la pitié (1971) thematiseerde als eerste de Franse collaboratie, waar ook het gaullistische Frankrijk liever niet aan herinnerd werd. Niet toevallig waren het later dan ook geen Franse, maar Amerikaanse historici - R. Paxton en M. Marrus - die beschreven hoe ijverig Vichy-Frankrijk aan de Duitse rassenpolitiek had meegewerkt.

Interessant is het kennissociologische verband dat Bosworth legt tussen de vernedering van Frankrijk enerzijds en de voorliefde van de naoorlogse Franse intelligentsia voor de 'longue dureé' en de afkeer van de 'evenementiële' politieke geschiedenis. Hij interpreteert ze moeiteloos als de intellectuele symptomen van het proces, waarin het Franse oorlogstrauma verdrongen werd.

In Italië ontwikkelde het historiografische front zich langs vergelijkbare lijnen. De officiële oorlogsmythe was ook hier die van 'Het Verzet', maar dat droeg een uitgesproken links, anti-fascistisch) karakter. Met meer sucses dan haar zusterpartijen elders heeft de PCI deze mythe politiek geëxploiteerd. Ook hier was er een buitenlandse historicus nodig - de Engelsman Denis Mack Smith - om de naoorlogse orthodoxie open te breken en de continuïteit in de Italiaanse geschiedenis te tonen. Hij wees er bovendien op dat niet elke Italiaan in 'Het Verzet' had gezeten en dat Mussolini niet de enige fascist was geweest. Net als in Duitsland volgden er jaren van heftige controversen, waarbij de linkse visie (fascisme = kapitalisme, anti-fascisme = linkse strijd) in de woelige jaren zeventig in elk geval de overhand leek te hebben.

Het historiografische tij in Italië keerde ongeveer gelijk met het politieke tij. De sleutelfiguur in deze omslag was Renzo De Felice, die het Italiaanse fascisme van het Duitse nazisme - en dus van 'Auschwitz' - loskoppelde en de fascistische beweging als een moderniserende volksbeweging interpreteerde. Het was volgens De Felice de hoogste tijd om het fascistische verleden te 'historiseren' en eindelijk over te gaan tot de 'wetenschappelijke' bestudering ervan. Dit was volgens hem tot dan toe onmogelijk geweest omdat 'Links' met het oog op de eigen politieke doeleinden van het fascisme een politiek monument had geboetseerd. De Felice zat met zijn thesen op dezelfde golflengte als zijn conservatieve Duitse collega's in de Historikerstreit, maar in tegenstelling tot hen had hij succes. De conservatieve interpretatie van de Tweede Wereldoorlog is namelijk volgens Bosworth na 'de De Felice-controverse' dominant geworden.

Merkwaardig genoeg lijkt Italië historiografisch gezien nu door de dominantie van de conservatieve visie het meest op Japan. Ook de Japanse historici zagen zich na 1945 met de minder aangename aspecten van hun nationale verleden geconfronteerd en omhelsden volgens Bosworth daarom de notie van het 'eeuwige Japan'. Het land zou altijd al als natie-staat bestaan hebben en was in dat opzicht een geval apart. Het conflict met de VS over de Pacific bestond ook al heel lang en de oorlog was uit dit perspectief niet bijzonder.

Volgens Bosworth vervulde deze notie van eeuwigheid in Japan dezelfde functie als de notie van de 'lange duur' in Frankrijk, namelijk de verdringing van het recente traumatische verleden. De toch niet oninteressante vraag hoe de Japanse oorlogsmisdaden historisch verklaarbaar waren, hoefden de Japanse historici in tegenstelling tot hun Duitse collega's niet direct te beantwoorden. Deze vraag werd buiten hun agenda gehouden door het traditionele systeem van staatscensuur. Deze censuur werd na 1945 door de Amerikanen intact gelaten omdat in de Koude Oorlog de politieke stabiliteit van Japan voor Amerika zwaarder woog dan zijn democratische gehalte. Een onbedoeld gevolg is dat de Japanse elite tot op de dag van vandaag elke verantwoordelijkheid voor de oorlog kan ontkennen en het eigen land zelfs als het eerste slachtoffer van nucleaire agressie presenteert. Het streven van conservatieve historici vanaf de jaren tachtig om het Japanse oorlogsverleden op te poetsen, is niet ontregeld door een Japanse Historikerstreit.

In de Sovjet-Unie behield de Grote Vaderlandse Oorlog veel langer dan elders zijn bijzondere monumentale status, om deze pas ten tijde van de perestrojka te verliezen. Bosworth wijst hier twee oorzaken aan. In de eerste plaats was het Russische oorlogstrauma veel dieper dan elders - het verschil tussen de 20 miljoen Russische oorlogsslachtoffers met bijvoorbeeld de 300.000 Amerikaanse doden kan dit verklaren. In de tweede plaats hing de langdurige invloed van de oorlog in de Sovjet-Unie samen met zijn praktische functie in de politiek. Naast de Revolutie-mythe zorgde de oorlogs-mythe na 1945 voor de historische legitimatie van de communistische partij en staat. Het grote Russische Vaderland was door de partij uit de klauwen van de bloeddorstige fascistische (kapitalistische) horden gered onder de bezielende leiding van generalissimo Jozef Stalin.

Bosworth interpreteert deze heroïsering van de CP als een bewuste poging het Russische nationalisme voor de partijdoeleinden te mobiliseren en als onderdeel van het streven om van boven af één legitimerend geschiedbeeld te construeren. De Sovjet-Unie herbergde als veelvolkerenstaat een veelheid aan geschiedenissen en dito potentiële conflicthaarden, zoals na 1990 ruimschoots is gebleken. De 'lange Tweede Wereldoorlog' eindigde er dan ook pas toen zowel de Sovjet-staat als de partij na de perestrojka desintegreerde. Welke interpretaties van de oorlog hiervoor in de plaats zullen komen, laat zich nog niet bepalen, al zijn de nationalistische versies tot nu toe het luidruchtigst.

Opvallend is dat de Nederlandse oorlogshistoriografie geen Taylors of Fischers kent en ook geen begin van een Historikerstreit vertoont. Bij gevolg is het mythische, door De Jong gecanoniseerde beeld van het volk 'in verdrukking en verzet' hier min of meer intact gebleven, Bloms pleidooi voor 'revisionisme' ten spijt. Ook valt vergelijkenderwijs op dat de Tweede Wereldoorlog in Nederland 'lang duurt', getuige de relatief grote gevoeligheid voor 'goed en fout' en het publiekelijk geclaimde recht om Duitsland de les te blijven lezen. Deze lange duur is paradoxaal, omdat juist de Nederlanders goede redenen hebben deze oorlog achter zich te laten. Wat betreft de deportatie van joden was Nederland vergelijkenderwijs de beste leerling in de Germaanse klas en dat geldt ook voor het aantal SS-vrijwilligers.

Misschien kunnen ook deze aspecten van de historiografische verwerking van de oorlog in Nederland worden geïnterpreteerd als de symptomen van een collectieve verdringing. Nu blijft dat ongewis, omdat de kleinere landen in Bosworth's bijzonder boeiende studie ontbreken, maar voor een dergelijk onderzoek is nu in elk geval een solide basis gelegd.