Efemeer

Er is alweer bloeiende kembang sepatoe in de aanbieding, ik merk ze op sinds ik in Indonesië ben geweest. Deze Hibiscus rosa-sinensis of Chinese roos, in heldere kleuren als rood, geel en oranje, is in Europa een kamerplant. De Europese hibiscus, Hibiscus syriacus, een meer discrete heestersoort die in de tuin kan worden gekweekt, leidt daarnaast een wat ingetogen leven, een beetje verwaarloosd in de tuinliteratuur. Er bestaan prachtige cultivars van in blauw, wit en rose ('Blue Bird', 'White Heart', 'Woodbridge'), en ook variëteiten met dubbele bloemen, nauwelijks minder aanstootgevend dan de gevulde stokroos.

De botanische nomenclatuur is niet altijd verhelderend; niet alleen H. rosa-sinensis komt uit China, maar ook de Syrische hibiscus, die zijn naam kreeg door een oponthoud in Syrië alvorens Europa te bereiken op een of ander tijdstip vóór het jaar 1596, waarin zij voor het eerst werd beschreven.

In China is de hibiscus het zinnebeeld der kortstondigheid, het korte verblijf van de mens op aarde, efemere bloemen die er de ene dag zijn en de volgende dag zijn afgevallen; de tuinvarianten van H. syriacus roepen in Europa hoogstens wat welkome kleuren voor de nazomer op: korstondigheid op een ruimere tijdsschaal. Zij krijgt haar blad nogal laat in het voorjaar, ziet er tot in Juli behoorlijk saai uit, en beleeft dan een korte triomf voor zij weer in de obscuriteit terugvalt; een karakteristieke moeilijkheid is het vinden van een niet te opvallende plaats voor haar latente periode. Om goed te bloeien is ook flink warmte nodig, een zonnige plek op vochtige grond: “Met de voeten in een waterput en het hoofd in een oven, precies zoals de Arabieren de beste voorwaarden voor palmen beschrijven” (E.A.Bowles).

Oude Chinese teksten maken geen melding van de nadelen, maar zien resoluut de positieve kant. “In de tweede maand van de zomer”, aldus de Liji, het Boek der Riten (1ste eeuw v.Chr.), “bloeit de hibiscus.” Deze associatie van de hibiscus met de heetste dagen van de zomer zal nog vaker ter sprake komen. “Er zit een meisje bij mij in de koets, haar gezicht is als de bloem van een Hibiscus”, luidt een dichtregel in de Shijing, het Boek der Oden (

Dat woord 'efemeer' schijnt van toepassing geweest te zijn op alle hibiscussen in China; het is de enige houvast in een zee van namen die ook andere planten kunnen aanduiden. H. rosa-sinensis, tegenwoordig officieel bekend als zhujin, 'rode hibiscus', heette vroeger fusang, wat ook de naam is van een mythische boom op het Oostelijke uiteinde van de wereld; H. mutabilis is de mu furong, of 'houtige lotus', en H. syriacus, die tamelijk constant zichzelf is gebleven onder de naam van jin of mujin, is niettemin ook bekend geweest als shun, een woord dat soms geschreven wordt met het karakter dat de legendarische keizer Shun uit de oudheid aanduidt.

Net als de kembang sepatoe in Indonesië werd de hibiscus in sommige delen van China wel als als heggeplant gebruikt, hetgeen James Legge, de vertaler van een groot aantal Chinese klassieken, er toe bracht in zijn vertaling van het bovengenoemde gedicht uit het Boek der Oden de onvergetelijke term 'flower of the ephemeral hedge-tree' te gebruiken. In een verklarende noot lijkt hij er nogal tevreden over de twee termen gecombineerd te hebben, maar het gevolg is helaas dat je je gaat afvragen wat een ephemeral hedge zou kunnen zijn.

Lu Ji (261-303), een dichter en literatuurcriticus, schreef een gedicht geheten 'Tanshi fu', 'Zuchten om hen die zijn heengegaan', waarin de hibiscus ter sprake komt. Het gedicht is, zoals de titel aanduidt, een weeklacht: “Ik ben nu veertig jaar oud en er rest mij nog maar weinig te leven.” De bloemen bloeien elk voorjaar en vallen weer af; een mensenleven “is als de hibiscusbloem aan de tak: zij is gedoemd te sterven maar zij weet het niet”. Hier wordt de hibiscus met het woord riji aangeduid, implicerend dat het leven van de bloem maar één dag duurt. Het merkwaardige voor de Europese lezer is dat de hibiscus zich in onze contreien niet als eendagsvlieg gedraagt.

In het algemeen vallen bloemen die het na één dag voor gezien houden niet van de tak maar doen in feite het omgekeerde; zij blijven juist zitten, ze verschrompelen, worden bruin en onaanzienlijk, en wachten met afvallen zolang ze maar kunnen. Zo doet H. syriacus het ook; bovendien heb ik de indruk (maar ik moet tot de zomer wachten om het te verifiëren) dat de bloemen het aanzienlijk langer uithouden dan een dag.

Misschien moet men zich voorstellen dat er in elke civilisatie altijd een niche is voor een 'efemere bloem', en dat het gekozen voorbeeld met een beetje wrikken en duwen in die niche wordt gewurmd. Hoe anders de opvallend onjuiste dingen te verklaren die er in Europa over rozen zijn beweerd? “Elle a vécu ce que vivent les roses, l'espace d'un matin”... “Gather ye rosebuds while ye may, Old Time is still a'flying: And this same flower that smiles today, Tomorrow will be dying.”

De andere associatie die voor de Chinezen aan de hibiscus is verbonden is begrijpelijker voor een Europese tuinier, hoewel nu het seizoen weer niet helemaal klopt. Hibiscus syriacus bloeit hier in Augustus, ná de grootste hitte; in China bloeit zij midden in de zomer. Maar er is niet veel fantasie voor nodig om te zien dat grote hitte verantwoordelijk is voor het bloeien, en dan kan men instemmen met de dichter Qian Qi (722-ca780), toen hij op een midzomerdag in China gedurende de Tang dynastie werd overweldigd door de hitte. Deze regels komen uit een gedicht getiteld Vluchtend voor de hondsdagen zoek ik de koelte op: “De hibuscisbloemen zijn geopend, en zien in vrees de lengte van de dag tegemoet. Vaak, als ik achteroverleun in mijn stoel van gevlochten touw, wuif ik mijn lichte waaier.”