Een prettig bij-effect van de harde gulden

AMSTERDAM, 29 APRIL. Hij veroorzaakt hier en daar wel wat economische ongemakken, maar de harde gulden heeft een flatterend bij-effect. Door de kracht van de munt schiet Nederland op dit moment met vijf plaatsen omhoog naar een elfde positie in de internationale welvaartsvergelijking tussen de 24 landen van de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling (OESO). De ivy league van de industriële wereld komt weer in zicht: mocht de gulden in de nabije toekomst nog drie cent winnen op de Amerikaanse dollar, dan stoot Nederland met een bruto binnenlands produkt per hoofd van de bevolking van bijna 26.000 dollar door naar de top tien, en mag Jan Modaal zich welvarender noemen dan de gemiddelde Amerikaan.

Die ommekeer is dramatisch. In de jaren tachtig was Nederland langzaam weggezakt naar een zestiende positie op die welvaartslijst, die wordt berekend uit de omvang van de economie (het bruto binnenlands produkt) per hoofd van de bevolking. Zwitserland voerde de ranglijst aan, op de voet gevolgd door de rijke Scandinavische landen, Japan, de Verenigde Staten en Canada. Ook België en Italië streefden Nederland in de jaren tachtig voorbij. Reden genoeg om het afglijden van de Nederlandse economie ter discussie te stellen. Reden ook om in Europees verband vragen te stellen bij de netto financiële afdracht van Nederland aan Brussel die was gebaseerd op de tijd dat ons land nog tot de rijkere leden van de Europese Unie behoorde.

Aan dergelijke vergelijkingen kleeft echter een groot nadeel: ze moeten worden gedaan in een gemeenschappelijke munteenheid. Welke maakt niet uit, maar standaard gaat de berekening in dollars. Niet alleen de economische groei en het aantal mensen waardoor de economische omvang moet worden gedeeld speelt zo een rol bij de uitkomst, maar ook een verandering in de onderlinge wisselkoersverhoudingen tussen de landen die worden vergeleken.

Daarin is sinds begin jaren negentig een dramatische verandering opgetreden. De Scandinavische welvaartsstaten bleken zichzelf in de jaren tachtig te hebben uitgehold, raakten in een diepe economische crisis en zagen hun sterke munten fors kelderen. De jarenlange koppeling van de munten van het Europese Monetaire Stelsel bleek onhoudbaar: de koers van de lire zat, ongeacht de hoge inflatie in eigen land, in de praktijk vast aan de harde munten rondom de Duitse mark. Toen het wisselkoersstelsel in 1992 klapte, zakte de Italiaanse munt dan ook diep weg. Het resultaat: Nederland blijkt begin 1995, op basis van de meest recente cijfers over economie en bevolking en de wisselkoersen van dit moment, welvarender dan zowel Zweden, Finland als IJsland, en heeft Italië weer ver achter zich gelaten. Van de tiende positie onder de nu 15 EU-landen in 1991 betekent dat een stijging naar de zevende plek.

De invloed van de valutakoersen op de welvaartsranglijst is binnen Europa groot, maar de aanpassing die de onderlinge wisselkoersen de afgelopen jaren doormaakten lijkt duurzaam. Anders is dat met de wispelturige Amerikaanse dollar. Door de kracht van de gulden is Canada inmiddels gepasseerd op de welvaartsranglijst en het wachten is op een daling van de Amerikaanse dollar met nog twee cent tot 1,51 gulden om de VS voorbij te streven. Gezien het historische dieptepunt van de dollar is de kans groot dat dit een incident zal blijken.

Ondanks drie magere economische jaren heeft Japan zich bovenaan de ranglijst genesteld met een bbp per hoofd van de bevolking dat door de sterk gestegen yen nu al ruim anderhalf maal groter is dan dat van Duitsland en Frankrijk. Het verschil tussen de relatieve welvaart in Duitsland en de rest van de EU is fors afgenomen door de toevoeging van het voormalige Oost-Duitsland.

Rest de hamvraag in de Benelux: waarom is België per hoofd van de bevolking welvarender geworden dan Nederland? Hier wreekt zich het wisselkoerseffect in het nadeel van Nederland. De Belgische economie is fractioneel minder hard gegroeid dan die in Nederland en de verschillen in bevolkingsgroei zijn niet significant. Het verschil ligt in de Belgische inflatie, die gemiddeld 1,4 procent hoger uitviel dan die in Nederland, waardoor de nominale groei van het Belgische bbp hoger uitviel dan hier. Als het inflatieverschil tussen Belgen en Nederlanders tot uiting was gekomen in de wisselkoers, zoals het volgens het boekje hoort, dan zou de Belgische frank sinds 1986 met circa 14 procent moeten zijn gedeprecieerd ten opzichte van de gulden. Maar de frank hoort, evenals de gulden, tot het harde blok rondom de Duitse mark en bleef in de valutastormen van de laatste drie jaar uit de wind. Als de frank zich daarentegen aan de internationale financiële wetmatigheden had gehouden, dan had de Belgische inhaalslag nooit plaatsgevonden.