De veelvormigheid van het joodse verzet

ARNO LUSTIGER: Zum Kampf auf Leben und Tod! Das Buch vom Widerstand der Juden 1933-1945

628 blz, geïll., Kiepenheuer & Witsch 1994, ƒ 102,20

'We moeten ons niet als schapen naar de slachtbank laten leiden', zo begon een vlugschrift uit december 1941 van een joodse verzetsorganisatie in het getto van Wilna, het huidige Vilnius. De schrijver van deze oproep, de joodse dichter en politiek activist Abba Kowner, had intuïtief begrepen dat de Duitse 'Einsatzgruppen' op het punt stonden de joden systematisch uit te moorden. Afgezien van de opstand in het getto van Warschau is er in Nederland tot nu toe weinig bekend over het joodse verzet in Europa tegen de vervolging, deportatie en vernietiging door de nazi's. Het overheersende beeld is dat de joden zich door een geraffineerde en efficiënte vernietigingsmachine als makke lammeren hebben laten afvoeren en afslachten.

Arno Lustiger, zelf een overlevende van Auschwitz en Buchenwald, ziet Zum Kampf auf Leben und Tod! als een vooral persoonlijk getinte poging om de mythe van de passiviteit van de joden te doorbreken. Aan de hand van korte biografieën, beschrijvingen van verzetsgroepen, dagboeken en van artikelen van overwegend joodse historici, geeft hij een zeer gevarieerd beeld van het joodse verzet in Europa: van gewapende strijd, aanslagen, opstanden in getto's en concentratiekampen tot allerlei vormen van illegaliteit, openlijk protest, onderduiken, partizanenstrijd en deelname aan de geallieerde strijdkrachten. Hij legt daarbij een zwaar accent op Polen, Oost-Europa en Frankrijk. Jammer is dat hij geen conclusies aan zijn nogal caleidoscopische studie verbindt. Zo blijven er nog veel vragen over.

'Het' joodse verzet als zodanig heeft natuurlijk nooit bestaan. De mogelijkheden om zich te verzetten waren uiterst beperkt, zo niet afwezig. Wat konden joden ondernemen tegenover de overmacht van de onderdrukking door de nazi's? Welke overlevingsstrategieën konden zij hanteren? Dat er ondanks de genadeloze vervolging nog verzet is gepleegd mag een wonder heten. Hoe er door historici over het joodse verzet is geschreven (of juist niet) en welke definities zij hanteren zegt veel over de manier waarop zij de jodenvervolging als geheel interpreteren. Wil men het planmatige karakter ervan benadrukken, dan bestaat de neiging het joodse verzet te bagatelliseren en in de joodse traditie van de diaspora te plaatsen, zoals onder meer de holocaust-expert Raul Hilberg heeft gedaan. Volgens hem was er van verzet nauwelijks sprake. Lustiger valt Hilberg op dit punt dan ook hard aan.

Let de historicus daarentegen meer op de individuele intenties van mensen, dan wordt de definitie van wat verzet is ruimer genomen, zoals Konrad Kwiet en Helmut Eschwege in hun baanbrekende studie uit 1985 over het joodse verzet in Duitsland hebben gedaan. Zij maken een onderscheid tussen gewapend verzet en illegale activiteiten enerzijds en het zich onttrekken aan anti-joodse maatregelen door onderduik, vlucht en zelfs zelfmoord anderzijds. Het hooghouden van menselijke waardigheid, het vrij willen beslissen over het leven, kan naast andere motieven een reden zijn geweest om zelfmoord te plegen. Deze beslissing kan volgens hen als een verzetsdaad worden aangemerkt, omdat men zich onttrok aan wat de onderdrukker voor ogen stond, namelijk de fysieke vernietiging. Ouderen waren over het algemeen meer geneigd tot zelfdoding dan jongeren.

De bekendste joodse verzetsgroep in Duitsland is de Baum-Gruppe die onder leiding stond van Herbert Baum en zijn vrouw. Rond hen had zich een groep van ongeveer dertig jongeren verzameld die afkomstig waren uit zionistische of communistische jeugdverenigingen. Ondanks interne bezwaren tegen een dergelijke plan pleegden in mei 1942 leden van deze groep een aanslag op de nazi-propaganda-tentoonstelling 'Das Sowjetparadies' in de Berlijnse 'Lustgarten', waarbij brand werd gesticht en slechts enkele mensen licht gewond raakten. De daders werden al snel gepakt, veroordeeld en geëxecuteerd, maar daarmee was het drama nog niet afgelopen. Er werden na deze gebeurtenis direct 500 joden gearresteerd, waarvan de helft meteen door de SS werd doodgeschoten. De andere 250 werden naar Sachsenhausen afgevoerd om 'geliquideerd' te worden.

Het voorbeeld van de Baum-Gruppe laat zien voor welke dilemma's het joodse verzet kwam te staan. Niet alleen sympathie voor de Sovjet-Unie was een belangrijk motief voor het plegen van deze aanslag, maar het was ook een wanhoopsdaad van joden die met de rug tegen de muur stonden. Voor de joden was het niet een kwestie van wel of niet meewerken aan het systeem, want de nazi's hadden in 1941 besloten dat zij vernietigd zouden worden. De vraag is in hoeverre de joden wisten welk verschrikkelijk lot hun boven het hoofd hing. De meeste joden konden zich eenvoudig niet voorstellen wat hun te wachten stond. Tot het laatste moment werd de joden bovendien voorgespiegeld dat het om iets anders ging dan fysieke uitroeiing.

Een groot aantal factoren bepaalden de ruimte om een of andere vorm van verzet te plegen: het moment waarop, het tempo waarin en de hardheid waarmee het vervolgingsbeleid werd uitgevoerd, ideologische motivatie en geografische omstandigheden. Een bekend probleem is dat van het gedrag van de Joodse Raden. De verantwoordelijkheid van de leiders van deze raden lag vaak ook anders dan die van jongere joden, die zich van dit gezag niets aantrokken en tot illegale activiteiten overgingen. De Joodse Raden wilden vaak door mee te werken met de bezetter tijd winnen. Volgens hen zou verzet immers alleen maar tot nog hardere represaillemaatregelen leiden. Zij pasten een vertragingstactiek toe met als doel joden te redden door anderen op te offeren.

Een andere factor is de omgeving, in het bijzonder de hulp van niet-joden. Hadden joden veel sociale contacten, vrienden, collega's en kennissen die wilden helpen, bijvoorbeeld bij het onderduiken of bij illegale activiteiten, of stond men, geïsoleerd in een vijandige of onverschillige omgeving, moederziel alleen voor de problemen? Het lidmaatschap van niet-joodse organisaties maakte het mogelijk deel te nemen aan verzetsactiviteiten. Hierbij kwam nog het probleem dat het niet-joodse verzet niet altijd bereid was joden op te nemen. Verder verhinderde de sociale, religieuze en levensbeschouwelijke heterogeniteit van de joodse gemeenschappen om collectief de nazi's weerstand te bieden. Zionistisch georiënteerde joden, Palestina-pioniers, richtten hun hoop op Palestina en voelden zich minder sterk gebonden aan het land waar ze verbleven.

Ook de politieke, sociale en culturele tradities van een land speelden natuurlijk een belangrijke rol. Dat gold voor Duitsland waar de meeste joden geassimileerd waren en vergroeid waren met de Duitse cultuur. Bovendien was er so wie so in Duitsland weinig gewapend verzet. De Duitse en ook Nederlandse joden hadden een andere positie dan de joden in Oost-Europa, waar al een langere geschiedenis van pogroms, discriminatie en vervolging bestond en waar men vaak ook over wapens beschikte en samenwerkte met partizanen of het Sovjet-leger. Lustiger laat zien dat het aantal opstanden in de getto's groter is geweest dan men tot nu toe dacht. Onbekend was de opstand in Tuczyn, een kleine plaats in Polen, waar in september 1942 de gehele joodse bevolking met bijlen en knuppels verbitterd verzet bood tegen de verraste Duitse soldaten en hun Oekraïense collaborateurs. Door het getto in brand te steken slaagden tweeduizend van de drieduizend joden erin naar de omringende bossen te vluchten. Slechts enkelen wisten te overleven.

De kans om aan de vernietiging te ontsnappen was wellicht moeilijker in een land als Nederland waarin een volgzame en gezagsgetrouwe houding in de samenleving bestond en waar politieagenten, trambestuurders, treinpersoneel en andere overheidsdienaren hebben meegewerkt aan de deportaties. Juist de relatief sterke integratie van joden in de Nederlandse samenleving heeft eraan meegewerkt, zoals de Amsterdamse hoogleraar J.C.H. Blom in zijn artikel 'De vervolging van de joden in Nederland in internationaal vergelijkend perspectief' opmerkt, dat hier verhoudingsgewijs meer joden zijn gedeporteerd en vernietigd dan elders in West-Europa.

Net als de meeste andere Nederlanders reageerden de joden met acceptatie van de bezetting. Zij gedroegen zich tijdens de eerste jaren coöperatief en koesterden een vals gevoel van veiligheid. Het blijft de vraag of deze integratie in de Nederlandse samenleving aan beide kanten zo diep geworteld was, gezien de op zijn minst oververschillige houding van de grote meerderheid van de Nederlandse bevolking tegenover het lot van de joden. De vraag is of de Duits-joodse vluchtelingen met de ervaringen in het Derde Rijk in hun achterhoofd meer verzet pleegden dan de Nederlandse joden die zich in een quasi-veilige positie dachten te bevinden. Het zou ook interessant zijn na te gaan hoe de vergelijking met de situatie in Frankrijk en België uitvalt. Daar was sprake van meer joods verzet en, relatief gesproken, van minder slachtoffers.

Nadere studie naar het verzet van joden kan wellicht bijdragen tot een genuanceerder beeld van de bezetting en van het gedrag van Nederlanders (joden en niet-joden) tijdens de oorlog. Het boek van Arno Lustiger behandelt Nederland weliswaar in een paar bladzijden, maar is wegens het Europees vergelijkend perspectief dat hij schildert toch een belangrijke bijdrage aan het historische onderzoek. Juist de verschillen met andere landen kunnen meer inzicht verschaffen in de Nederlandse situatie.

De klemmende vraag ten slotte is wat het verband is tussen het hoge percentage joden dat in Nederland is afgevoerd naar Auschwitz en Sobibor en de aard en omvang van het verzet van joden in Nederland. Dat daar nog steeds weinig fundamenteel onderzoek naar is verricht, behalve de studies van Ben Braber, zegt misschien iets over de manier waarop we in Nederland de oorlog herdenken en verwerken.