De snelle aftocht uit Saigon krijgt boven zee iets lafs

Drie weken zou een tv-team van de gezamenlijke Nederlandse omroepen vanaf eind april 1975 in Saigon blijven, het werden vier dagen. Op 29 april moesten Kees Colson, Fons van Westerloo en Willebrord Nieuwenhuis van 'Hilversum' uit Saigon vertrekken.

In een achterafstraatje van Saigon zwaait een Zwitser met zijn M-16 geweer in de middagzon. Hij draagt een kogelvrij vest en zegt dat hij van de ordedienst is, maar bedoelt de CIA, die de aftocht van Amerikanen en Europeanen georganiseerd heeft. Geblindeerde Amerikaanse legerbussen komen de hoek om, vrouwen en kinderen breken uit de rij en stormen erop af. De CIA-man probeert hen voor te zijn. Bij de deur van de bus houdt hij zijn M-16 diagonaal voor zich uit en roept om kalmte. Hij wordt niet verstaan.

Vrouwen tillen hun kinderen hoog boven hun hoofd en duwen ze de bus in naar het hekje bij de chauffeur. Daar vallen ze op de grond. De moeders kruipen onder het geweer door en pakken hun huilende kinderen op. Angstig dringen ze achter het traliewerk voor de ramen, bang voor granaten van mogelijk muitende Zuidvietnamese troepen.

Het is drie uur in de middag. Door de luidsprekers in de lege straten klinkt urenlang het Vietnamese volkslied. Nog steeds wordt gezongen over de betere toekomst die in aantocht is. Hier en daar rijden jongens doelloos op scooters met een geelrood gestreepte Zuidvietnamese vlag in de hand door de lege straten. In de verte klinkt het geluid van bominslagen.

Operatie 'Frequent Wind' is door communicatiefouten uren te laat begonnen. Pas om twaalf uur komt het wachtwoord op de Amerikaanse radio: “Het is nu 105 graden Fahrenheit en de temperatuur stijgt.” Bing Crosby zingt 'I am dreaming of a White Christmas', codelied voor de aftocht. Zestig machtige Sea Knight helikopters zullen in enkele uren 6.000 Vietnamezen en 1.000 Amerikanen, Canadezen, Australiërs en Europeanen overvliegen naar de meer dan veertig schepen die al dagen voor de kust liggen.

Om vijf uur die ochtend is de ober op het dak van het Caravelle Hotel wat laat met sap van vers uitgeperste sinaasappels. Boven de brug in het noordwesten van de stad hangen wat rookpluimen. Als even later een groot vrachtvliegtuig brandend naar beneden stort, op oogafstand van de ontbijttafel, pakt Kees Colson zijn camera. De twee andere leden van ons team beginnen onwennig aan een verslag van uur tot uur.

De Noordvietnamezen en de Vietcong staan de dag na de installatie van generaal Big Minh, die nog een uiterste verzoeningspoging wil doen, aan de rand van Saigon. Op het vliegveld Than Son Nhut vallen de eerste bommen. De commandanten laten hun troepen vroeg in de ochtend halthouden om de Amerikanen gelegenheid te geven te vertrekken en hun vlag neer te halen op het dak van de ambassade.

Mariniers duwen trouwe Zuidvietnamese medewerkers van het trappetje naar het heliplatform. Beneden, bij de hekken van de ambassade, gebruiken zij hun geweerkolven om een groot deel van het vertrouwde personeel de toegang tot ambassade en vluchthelikopters te ontzeggen. Bloed vloeit op het witgekalkte trottoir. Het geweld brengt sommige Vietnamezen tot razernij en keer op keer beklimmen ze, soms zwaar gewond, de stalen poort.

De Nederlandse ambassade belt naar het Caravelle Hotel dat de receptie voor koninginnedag helaas niet door kan gaan en dat we moeten vertrekken. De ordedienst deelt briefjes uit op welke punten in de stad, dertien in totaal, de journalisten zich moeten melden.

Om half vier rijden de bussen in kolonne naar het vliegveld. Bij de kruispunten staan Zuidvietnamese patrouilles onwezenlijk voor zich uit te kijken naar de aftocht van hun adviseurs. De Vietnamese vrouwen zijn bang dat zij alsnog uit de bussen worden gehaald. Op het vliegveld staan rijen lang zwart geblakerde, uitgebrande gevechtsvliegtuigen en omgekantelde helikopters. De Noorvietnamese artillerie heeft die ochtend, kennelijk op vertrouwde coördinaten, een tapijt granaten gelegd.

We worden een prefab stafgebouw ingeduwd en moeten op de grond gaan zitten. Mariniers met zwartgemaakte gezichten nemen onze namen op en delen ons in. “Het wordt heli 334”, zegt onze oppasser, die vanochtend is ingevlogen vanaf het vliegkampschip Midway. Om vijf uur moeten we naar buiten, de rotorbladen van de heli's draaien.

We moeten laag buigend hollen door de hete wind. Fotografen verliezen hun camera's, reporters typemachines en een enkeling zijn paraplu. We duiken het gat van de laadbak in. Met achtenveertig (18 te veel) houden we ons aan elkaar vast, binnen een minuut stijgt vlucht 334 op. Eerst recht vooruit over de startbaan en dan met een scherpe bocht naar links. We klimmen snel. De rokende stad ligt achter ons. De schaduw van de helikopter trekt een vredig spoor over wuivende, fel groene bedden met jonge rijstplanten. Overal zijn helikopters in de lucht, sommige begeleid door gevechtsvliegtuigen.

Iedereen zwijgt. Er is een gevoel van weemoed, geen merkbare opluchting. Werken in Saigon kon betoverend zijn. Je kende daar beneden de verwoesting van oorlog die soms vat kreeg op eigen gedrag, maar daarnaast stond je midden in de gratie en fijnzinnigheid van een niet eerder gekende cultuur. Gedachten springen terug naar de vriendschappen met soms hele families, die je nu abrupt in de steek laat. Onze aftocht krijgt boven zee iets lafs.