De katharsis duurt al dertig jaar

Toen Nederland op 5 mei 1945 bevrijd was en opdook uit de stolp van de bezetting, had de oorlog vijf jaar en de bevrijding meer dan zeven maanden geduurd. Eindelijk zou de vrede beginnen, de moeilijke vrede, waarin elke keuze in vrijheid kon worden gedaan.

De vrede was moeilijk door de noodzaak offers te brengen voor de wederopbouw en de oplaaiende partijconflicten: maar dat was slechts uiterlijk. Moeilijk was zij vooral in innerlijke zin: hadden we vrede met onszelf, met het beeld van wie we waren en met onze houding in de oorlog? Wat voor volk waren wij?

In de meeste geledingen van ons volk overheerste die eerste jaren na mei 1945 de intuïtieve neiging of de uitgesproken wens, terug te keren tot een 'normale' wereld. 'Back to normalcy' noemden de Amerikanen deze neiging na de Eerste Wereldoorlog; zoals de notabelen met de leuze 'de oude tijden keren weerom' het volk gerust stelden na de nederlaag van Napoleon in 1813. Ook in 1945 keerde het Nederlandse volk zich gretig af van het pakket lastige problemen dat de wereldgeschiedenis voor zijn deur had gedeponeerd.

De omstandigheden van de bezetting hadden in de samenleving waarin we vóór 1940 leefden, als een katalysator gewerkt, waardoor onduidelijkheden kristalliseerden, zoals een schel licht contouren die steeds vaag waren gebleven, scherp in het oog doet springen. Dit gold voor begrippen als gezag en verantwoordelijkheid, voor democratie en tolerantie. Hoe was, om maar eens één aspect van die jaren te noemen, onze houding geweest tegenover de joden en, klemmender, tegenover de uit Duitsland gevluchte joden?

Discriminatie

Er bestond discriminatie, er werd niet zelden onderscheid gemaakt tussen joden en niet-joden. In de Grote Club te Amsterdam, een patricisch instituut, werden geen joden toegelaten. Toen de voorzitter van de Grote Club, Walraven Boissevain, liberaal lijsttrekker moest worden, trad hij na overleg met de diamantair A. Asscher uit het bestuur, om de joodse stemmen niet mis te lopen. Dat waren de vage contouren van de jaren dertig, die door de bezetting in een geheel ander licht kwamen te staan. De lichte discriminatie was overigens wederzijds: onder de Amsterdamse joden bestond een stroming die zich fel keerde tegen het gemengde huwelijk.

De bezetting verstoorde onze vaagheidsidylle en het landschap waarop we na-de-oorlog terugkeken, was niet zo, dat we er trots op waren. Secretarissen-generaal: slap, de Hoge Raad: gecompromitteerd, burgemeesters: het spoor bijster, universiteiten: geen lichtend voorbeeld, captains of industry: vlijtig aan het geld verdienen, de Nederlandse Unie: op de rand van collaboratie, ambtenaren: slaafs dienstbaar, politie: op jodenjacht, de buurman: weigert een jood te verbergen, trams: maken overuren richting station,treinen: rijden naar Westerbork, boeren: vragen stedelingen woekerruil voor voedsel, Nederlandse landwachters stelen onze fourage en onze fietsen . . . Wat waren wij eigenlijk voor een volk?

Maar dan: de Geuzen als eerste verzetsstrijders gefusilleerd, de CPN vooraan in het verzet, de Februaristaking het hooglied van solidariteit met de joden, kunstenaars weigeren gelijkschakeling, illegale blaadjes komen in ieders brievenbus, de eenvoudigste boerenfamilie zet een bord extra op tafel voor een joods kind, meisjes fietsen door het land met joodse kinderen, papieren vervalst, bonkaarten geroofd, het Nationaal Steunfonds financiert het verzet . . . waren wij dan toch, zoals koningin Wilhelmina het in haar dromen zag, een heldenvolk?

Goed en fout

Temidden van deze tegenstrijdige beelden kwamen wij stilzwijgend overeen dat we met ons allen 'goed' waren geweest, behalve zij die door 'fout' te zijn roet in ons 'goede' eten hadden gegooid. Juist daarom namen we in een eerste impuls buitensporig wraak op 'moffenmeiden' en op de NSB'er in onze straat en op diens kinderen. Zo was de zuivering van artiesten in eerste instantie streng, in hoger beroep vaak een anticlimax van mildheid. Een analyse ontbrak, maar daarvoor was afstand nodig, die pas met de tijd kon groeien. Er was gewoonweg geen behoefte aan analyse, de wederopbouw riep.

We waren een keurig volk. We eerden onze helden. Gerrit van der Veen kreeg zijn straat en zijn biografie met als ondertitel 'een doodgewone held'.

Kon er nu eindelijk een streep onder de oorlog worden gezet? Wegkijkend van de problemen die de eigen innerlijke zekerheid bedreigden, trachtte Nederland de draad weer op te nemen, die op 10 mei 1940 zo onbegrijpelijk was afgebroken. De oorlog werd weggemoffeld, overgeslagen, verdrongen. Hij was een vergissing van de geschiedenis geweest. We hadden de oorlog nooit echt aanvaard. De bezetting was een episode van voorbijgaande aard, die geen diep ingrijpende invloed op ons volksbestaan mòcht hebben. Een nacht van verschrikking, die spoedig zou eindigen. In een bespreking met de Sicherheitsdienst te Amsterdam, april 1942, zei A. Asscher, een van de beide voorzitters van de Joodse Raad, door Presser geciteerd uit de notulen: “Es wird nicht lange dauern, ein-zwei Monate, bis der Krieg abgelaufen ist, und wir sind frei!”

Er werd geen speciale regeling ontworpen voor de opvang van joodse vervolgingsslachtoffers na de bevrijding. Teruggrijpend op de mooie liberale stroming van de assimilatie meenden zowel de regering te Londen als invloedrijke delen van de illegaliteit, dat er geen onderscheid mocht worden gemaakt tussen joden en niet-joden. De grondwet kende alleen Nederlanders. Voor verzetsstrijders en hun nabestaanden was de Stichting 1940-1945 opgericht, zij vormden een aparte categorie in koningin Wilhelmina's heldenvolk. De joden mochten daarentegen geen aparte groep vormen, dan zouden we - zo voelden velen het - in Hitlers voetspoor treden. Een bedrag dat in het bevrijde Zuiden des lands door het Militair Gezag was uitgekeerd aan een joods comité te Eindhoven voor de opvang van teruggekeerde joden, moest worden teruggestort. De Wet Uitkeringen Vervolgingsslachtoffers kwam pas in 1973 tot stand.

Oorlogspleegkind

Schrijnend was de strijd om het joodse oorlogspleegkind. Wanneer je ervan uitging, dat het er niets toe doet of iemand joods dan wel niet-joods is, konden de joodse oorlogspleegkinderen in het geval dat hun naaste verwanten niet terugkwamen, best bij hun pleegouders blijven.

Tegen deze opvatting keerde zich echter het krachtig opkomende besef van een joodse identiteit, geboren uit de vervolging en vastbesloten zich te handhaven.Voor dit besef moesten alle joodse kinderen aan de joodse gemeenschap worden teruggegeven. De aanhangers van de assimilatie beseften niet, dat hun ideaal paradoxalerwijze de voltooiing teweeg zou brengen van de 'oorlog die Hitler won'. Dan zou inderdaad het joodse element uit onze cultuur zijn verdwenen, juist wat Hitler had gewild. Alleen de handhaving van het onderscheid dat Hitler ons had opgedrongen, kon de joden redden. Maar in 1945 bestond de staat Israel nog niet eens.

Een jood kwam terug in een verlaten wereld. Huis, inboedel, vrienden, familie weg, verdampt, en niemand die hem als jood tegemoet kwam namens het volk waarvan hij deel uitmaakte, dat was het Nederlandse volk. Er waren alleen thuisgebleven Nederlanders, die vonden dat zij heus ook heel erg hadden geleden.

Joden stuitten op reacties van banale ergernis of grof bureaucratische chicanes. Ergernis: de buurman die de opschikjes die hij zou bewaren al op zijn schoorsteenmantel had gezet en de das van de verloren gewaande droeg, en die niet blij was hem terug te zien. 'Bewariërs' noemde Presser hen. Chicanes: een bevolkingsregister, de belastingdienst, die de J op de formulieren handhaafden. Leraren die geen rekening hielden met de achtergrond van een joodse leerling, wat overigens ook wordt vermeld over kinderen van opgedoken communistische gezinnen. Een rechter die er niets van begreep, toen en jonge vrouw hem kwam vertellen dat ze een in de onderduik geboren joods kind als haar kind had aangegeven en deze valse aangifte nu, na de bevrijding, wilde redresseren.

Alle confrontaties waren die maanden moeilijk. Echtparen, de een terug uit Auschwitz, de ander uit de onderduik, konden niet tot elkaar komen. Een vriendin in het huis waar ik een kamer had gehuurd, kwam uit Auschwitz terug, via Odessa en Marseille. Daar zat ze, rokend, herinneringen ophalend aan voor-de-oorlog, crisis, belastingschuld, feesten. Het kind dat ik was, had - en heeft - een Parcivalgevoel. Je vroeg niet naar het wezenlijke. Maar zij en haar lotgenoten hadden iets onbenaderbaars, als gehuld in een magisch pantser. Heel veel later beschreef Primo Levi details van het leven in het kamp. Toch pleegde hij zelfmoord. Het was geen bevrijding geweest.

Er kwam een stroom publikaties over de jodenvervolging. Literatuur of fictie: De ondergang van de familie Boslowitz van Simon van het Reve, Jozef duikt van Maurits Dekker; dagboeken: Het Achterhuis van Anne Frank, het Dagboek van Loden Vogel (Louis Tas); herinneringen van Floris Bakels, Abel Herzberg; kroniekachtige geschiedschrijving: De oorlog die Hitler won, De gele ster, nogmaals Abel Herzberg; interviews: De lange nacht van Mathieu Smedts.

Het was niet weinig, wat werd aangeboden, maar de boeken hadden kleine oplagen en werden slecht verkocht. De jaartallen van verschijning, de oplagen en de reacties van de kranten op de literatuur over de jodenvervolging is nog te weinig onderzocht. Presser zou zeggen; “Mènsen” - want zo sprak hij ons aan - “mensen, daar zit een doctoraalscriptie in.” Het complexe verschijnsel van de jodenvervolging werd pas maatschappelijk bespreekbaar door het Eichmannproces te Jeruzalem in 1961. Het werd niet begrijpelijk, maar het werd benaderbaar door verkaveling in onderdelen en een bruikbare terminologie. Je kon nu herkennen in welke fasen het proces verliep, je herkende de onderdelen ervan. Je kreeg een inzicht in de ingewikkelde organisatie die de jodenvervolging binnen het Derde Rijk uitvoerde. Er kwamen namen van hoofdrolspelers naar voren en je kreeg inzicht in de verdeelde verantwoordelijkheid, waarbij lagere bazen niet mochten weten wat iets hogere bazen deden en zo verder tot de top.

Aan de top bestond een nuchter en lucide overleg over de laatste vraag: hoe krijgen we zoveel mensen in zo korte tijd dood. Het zou een industrieel proces moeten worden, want het was gebleken dat dagen lang nekschoten geven emotioneel te zeer belastend was voor de uitvoerende soldaten. Je stelde vast dat het menselijk verstand als een losgelaten raket kan doorfunctioneren zonder enig ethisch anker. En, tot slot, het kind kreeg een naam. Het werd benoembaar zonder te worden geneutraliseerd, want het woord bleef gruwelijk. Het woord hielp je erover te praten. Eichmann was, zo luidde het nieuwe woord, een Schreibtischmörder.

Doorbraak

De twee delen van Jacques Pressers Ondergang, de geschiedenis van de ondergang van het Nederlandse jodendom, verschenen in 1965. Het werk betekende de definitieve doorbraak van onze omgang met de holocaust. Het was een zeldzaam groot publiekssucces. Het publiek was al voorbereid, mede door de televisieserie De Bezetting; de oorlog was nu twintig jaar geleden, de wederopbouw was geslaagd en door de welvaart was het lezend publiek sterk uitgebreid. Maar bovenal was Ondergang een meeslepend relaas, waarin Presser het individuele lot van zijn vrouw Dé Appel en zijn eigen poëtische verwerking daarvan had verweven. De cineast en auteur Philo Bregstein, zoon van een joodse vader en een niet-joodse moeder, was zo diep getroffen door Ondergang, dat hij voortaan jood wilde zijn.

Na de kroniekachtige fase en de emotionele fase in onze geschiedschrijving van de bezetting, brak in 1969 de epische fase aan met het verschijnen van de delen 1 en 2 van L. de Jongs geschiedwerk Het Koninkrijk der Nederlanden in de Tweede Wereldoorlog.

De talrijke vervolgdelen van 'De Jong' bleven ons leven begeleiden tot de epiloog in 1988. Na de verdringing van de oorlog in de eerste jaren na de bevrijding kwam de oorlog nu als een boemerang terug: hij was er wel degelijk geweest, hij was geen vergissing van de geschiedenis geweest, hij was duizenden pagina's druks vol gedetailleerde episodes waard en hij had een blijvende invoed op onze samenleving gehad. Dit laatste werd ook medisch erkend toen bleek, dat kampslachtoffers op latere leeftijd specifieke klachten kunnen krijgen, zowel psychisch als lichamelijk.

De Jong spaarde de roede niet. Wanneer de leiders, of het volk als geheel, hadden gefaald, werden de 'fouten' duidelijk van de 'goeden' gescheiden. Het was als een dertig jaar durende publieke katharsis. Nu eens was de broer van een minister, dan weer de secretaris van de koningin ooit - vóór de oorlog - 'fout' geweest; een Kamerlid was 'fout' geweest en Menten had oorlogsmisdaden op zijn geweten. Het beeldvormende epos van De Jongs dertien delen maakte golven van emoties los.

Het beeld dat zo monumentaal uit De Jongs werk oprees, vroeg erom, vergruisd te worden. Kleio, onze muze, wil immers dat op de epische fase de kritische fase volgt. De muze bediende ons perfect. In zijn inaugurele rede van 12 december 1983 vertolkte Hans Blom gevoelens, die waarschijnlijk bij velen tot dusver onuitgesproken waren gebleven. De oorlog moest worden verlost uit de 'ban van goed en fout'. Blom doelde op modern onderzoek. Dieptestudies van deelaspecten, teamwork met een groep studenten, kwantificering van gegevens los van ethiek en moraal, en vergelijkende studies van Nederland met andere bezette gebieden.

Een zekere mate van debunking, ontmaskering, hoort bij de kritische fase. Zo is het nu gemeengoed geworden, dat in Nederland een groter percentage joden door de Duitsers is omgebracht dan in andere bezette landen van West-Europa. Dit inzicht is gelegitimeerd door de koningin, die ervan getuigde in haar toespraak bij het staatsbezoek aan Israel, 28 maart van dit jaar. De verklaring die de kritische methode geeft voor het verschil tussen Nederland en de rest van West-Europa, is niet zo duidelijk tot de publieke opinie doorgedrongen.

De kritische fase wordt op het ogenblik bedreigd door het revisionisme, dat haar karikatuur is. Het revisionisme maakt misbruik van de kritiek op het 'goed-en-fout'-schema, door alle tegenstellingen van destijds weg te relativeren. Ik ontmoette het revisionisme op zijn botst tijdens een symposium voor theaterstudenten van de Universiteit van Amsterdam. Het was 19 februari van dit jaar en er werd herdacht dat 19 februari 1942 de laatste dag was geweest voor aanmelding bij de Kultuurkamer. Het top-deskundige forum meende dat lid worden niet zo erg was, omdat de illegaliteit na de bevrijding net zo'n instituut wilde oprichten, de Raad voor de Kunst. Op verschillen, zoals dwang en uitsluiting van joden, werden de studenten niet opmerkzaam gemaakt.

Een week later mocht in het NOS-journaal een nabestaande van Pyke Koch verklaren dat Koch 'een hekel had aan de NSB'. Het revisionisme komt voort uit oorlogsmoeheid en denkluiheid. Nederland toont in mei twee gezichten. In Rotterdam wordt de fascist Pyke Koch, die de nederlaag van Duitsland betreurde, geëerd met een grote overzichtstentoonstelling van zijn werk. In de Nieuwe Kerk te Amsterdam eert de tentoonstelling Rebel mijn hart alle kunstenaars, van wie de loopbaan door de oorlog gewelddadig werd afgebroken.