De bezette Domstad

T. SPAANS-VAN DER BIJL: Utrecht in verzet 1940-1945

399 blz., geïll., uitgave onder auspiciën van de Lidvereniging Utrecht van de Nationale Federatieve Raad van het Voormalig Verzet Nederland 1995, ƒ 35,-

SANDER VAN WALSUM: Ook al voelt men zich gewond. De Utrechtse universiteit tijdens de Duitse bezetting 1940-1945

160 blz., geïll., Universiteit Utrecht 1995, ƒ 17,50

JAN VAN MIERT (red.): Een gewone stad in een bijzondere tijd. Utrecht 1940-1945

295 blz., geïll., Centraal Museum Utrecht/Het Spectrum 1995, ƒ 29,90

Frater Bertrandus, alias Frater Illegalis, moet een onverstoorbaar figuur geweest zijn. Sinds het begin van de Duitse bezetting in Utrecht was hij actief met het vervaardigen en verspreiden van illegale blaadjes. De frater leende zich ook voor het zwaardere werk. Onder zijn pij vervoerde hij stenguns, pistolen en handgranaten. Omdat de granaten aan touwen hingen en tegen zijn benen bengelden, was hij gedwongen om langzaam te lopen. Verdiept in zijn gebedenboek schuifelde hij door de stad.

Frater Bertrandus is een van de vele illegale werkers die in Utrecht in verzet van T. Spaans-Van der Bijl aandacht krijgen. Het boek is een vorm van eerherstel. Jarenlang bestond het idee dat in de 'stad der Beweging' nauwelijks verzet had bestaan. Utrecht wemelde van de kantoren van NSB, WA, SD, SS, Landwacht, Wehrmacht, Luftwaffe en Kriegsmarine. Tegenover dat geweld dreigde het verzet te verbleken. Daar kwam bij dat in de plaatselijke pers verhalen verschenen van een verzetsman die bij de voormalige illegalen een twijfelachtige reputatie genoot. De animo verdween om de werkelijke toedracht uit de doeken te doen.

T. Spaans-Van der Bijl was zelf betrokken bij het illegale telefoonverkeer tijdens de oorlog en zij sprak voor haar boek met zo'n tachtig mensen. Aandoenlijke taferelen worden beschreven, bijvoorbeeld dat van drukker Anton Pasman die ontboden wordt op kasteel Zuylen. In de kelder treft hij F.C.C. baron Van Tuyll van Serooskerken (net afgetreden als gedeputeerde vanwege de Ariërverklaring) en diens zoon aan met besmeurde handen en gezichten bij een onwillige oude stencilmachine.

De Utrechtse spin in het illegale web, mr M.A. Tellegen ontbreekt niet. Zij zat al vanaf de zomer 1940 in het verzet en nam na de benoeming van NSB-burgemeester C. van Ravenswaay in april 1941 ontslag als afdelingshoofd van de gemeentesecretarie. Landelijk speelde zij als lid van het Nationaal Comité van Verzet een prominente rol. Ze woonde op de Maliebaan pal naast het kantoor van de Sicherheitsdienst. Als ze arrestanten herkende, kon ze hun medewerkers waarschuwen.

In Utrecht waren enkele tientallen groepen actief. Opmerkelijk is dat de Raad van Verzet (RVV), die vooral in de Randstad opereerde, in Utrecht nauwelijks aansluiting kreeg. Zelfs de Utrechtse communisten hielden zich afzijdig van de RVV. Niettemin was de voorzitter van de RVV, Jacob van der Gaag, uit Utrecht afkomstig, zij het dat hij al een internationale carrière bij Shell achter de rug had.

In de Utrechtse illegaliteit zat geen enkele groep van katholieke signatuur. Weliswaar was er Frater Illegalis en ook bij de politie weigerde een zestal katholieken mee te werken aan de jodendeportatie en dook onder. Maar volgens Spaans maakte slechts een 'betrekkelijk klein aantal katholieken' deel uit van gemengde verzetsgroepen, ofschoon het katholieke bevolkingsdeel in Utrecht bijna even groot was als het protestantse. Het verzet van de enkeling komt aan bod, onder andere in de persoon van J. van Baaren die in een jaar tijd voor tweehonderd joden onderdak en voedselbonnen regelde. Zijn vader werkte bij de Rijksmunt en zorgde voor stempels.

Spaans toont aan dat ook in Utrecht verzet van formaat werd gepleegd, maar zij maakt het de lezer niet gemakkelijk. Pas na pagina tweehonderd (we zijn dan in 1943) wordt het boeiend. Daarvoor moet de lezer veel algemene beschrijvingen over de oorlog verwerken, inclusief de geschiedenis van Utrecht en de jodenvervolging sinds de Romeinen. De ooggetuigen die zij heeft gesproken komen slechts sporadisch aan het woord.

Een luchtiger benadering kiest S. van Walsum met de geschiedenis van de Utrechtse universiteit tijdens de oorlog. De titel van het boek verwijst naar de bezwerende woorden waarmee rector magnificus prof.dr. H.R. Kruyt in november 1940 de Utrechtse studenten van actie weerhoudt, nadat de joodse wetenschappers door de Duitsers zijn geschorst: 'Ook al voelt men zich gewond, daarom slaat men toch niet de hand aan zichzelf.'

Van Walsum is hoofdredacteur van het Utrechts Universiteitsblad en kreeg onder meer toegang tot de zuiveringsarchieven van het toenmalige college van curatoren en de senaat. Het beeld is niet florissant. Het universitaire beleid is een en al geschipper en benepenheid. Iedere creativiteit ontbreekt. Telkens als de regels van de bezetters onduidelijk zijn, wordt nadere uitleg gevraagd, hetgeen onverwijld leidt tot verscherping van de regels. Soms wordt zelfs op de regels vooruitgelopen, bijvoorbeeld door de Universiteitsbibliotheek voor joden te sluiten.

Het oordeel van Van Walsum is hard: 'De kille, van elk engagement gespeende precisie waarmee Duitse regels ten uitvoer werden gebracht, heeft een uitwerking gehad die wellicht niet onderdoet voor wat openlijke en enthousiaste collaboratie had kunnen aanrichten.' Ook de zuivering verliep niet vlekkeloos. Studenten die de loyaliteitsverklaring hadden ondertekend werden bestraft, terwijl de hoogleraren op wier advies zij hadden gehandeld veelal buiten schot bleven.

Minder venijnig is het boek Een gewone stad in een bijzondere tijd, dat op initiatief van de Utrechtse gemeenteraad is verschenen. Hierin komen thematische onderwerpen aan de orde als de kerken en het onderwijs, ontspanning en cultuur, het economische leven en het dagelijkse leven van de bevolking. Zoals elders floreerde ook in Utrecht het theaterleven, mede dank zij de opening van de nieuwe Stadsschouwburg in 1941. 'Verder hebben we heel gewoon geleefd', luidt het motto van het hoofdstuk over het dagelijks leven. Bij sommige bedrijven werd echter harder gewerkt dan ooit. Werkspoor maakte wagons voor de Wehrmacht, scheepswerf Ballast bouwde landingsvaartuigen en bij machinebedrijf Jaffa explodeerde de winst van 46.000 gulden in 1940 naar 375.000 in het jaar daarop. Wrang was het lot van directeur Jongerius van het gelijknamige garagebedrijf. Het bedrijf werkte voor de Wehrmacht, maar de directeur verleende ook allerlei steun aan de illegaliteit. Hij had herhaaldelijk overwogen om zijn bedrijf te sluiten, maar zag daarvan af op aandringen van het verzet. Leiders van het verzet hielden tijdens de zuivering een vurig pleidooi voor Jongerius, maar de man werd toch veroordeeld wegens collaboratie.