De bespreekbare dood; De terugkeer van het ritueel in het begrafeniswezen

Hebben emancipatie, migratie en welvaart het dagelijks leven in de afgelopen decennia blijvend veranderd? In een korte serie artikelen wordt onderzocht hoe de pendule van het gedrag zwaaide. Deze week als laatste in de reeks: doodgaan en begraven worden. Op zoek naar het gemiddeld Nederlands Peil.

Ze speelde met een vriendinnetje op straat - Eem Fraterman moet ongeveer zeven jaar zijn geweest. Het vriendinnetje zei: “Kom, ik moet je iets laten zien” en trok Eem de trap op naar de kleine bovenwoning in de Amsterdamse Pijp. In de huiskamer trok het meisje een gordijn opzij. “Kijk, dat is mijn oma”, riep ze triomfantelijk. Eem keek naar de oude vrouw die gekleed op bed lag: koud, wit en stijf. Voor het eerst in haar leven zag ze een lijk. Een jaar later overleed Eems oma. Ook zij werd thuis opgebaard - in Eems herinnering lag oma weken in de kamer. Er kwam veel bezoek, gebeurtenissen werden opgehaald en Eem maakte tekeningen voor haar overleden grootmoeder. “Ik heb het idee dat de dood toen meer bij het leven hoorde.”

In de jaren negentig is het thuis opbaren aan een come back begonnen, zegt Eem Fraterman (50). Ze is maatschappelijk werker in Breda en begeleidt diverse rouwgroepen. De huidige aandacht voor stervensbegeleiding, dood gaan en rouwverwerking is een reactie op de kilheid die in de jaren zestig intrad, meent Eem. De eerste voortekenen dienden zich in de jaren vijftig al aan: om haar oma werd nog wel gehuild, maar na de begrafenis nam het leven alweer snel zijn gewone loop. Volgens Eem Fraterman is dat te wijten aan de toen heersende cultuur in Nederland. Een land, nog maar net verlost van de ellende van de crisis en de Tweede Wereldoorlog, wilde niet nog meer verdriet lijden. “Schouders eronder en doorgaan, was het advies.”

Nederland werd afstandelijker, kil. De kloof tussen de doden en de levenden groeide en aan het begin van de jaren zeventig was de dood niet meer bespreekbaar. Eems oma ontsnapte aan zo'n kille crematie. Haar vader niet. Hij overleed na een lange ziekte in 1970, Eem was toen vijfentwintig jaar. “Nadat hij zijn eigen crematie had geregeld, zei hij: 'En nu wil ik het er niet meer over hebben.' Op zijn crematie waren veel mensen. Daarna hebben we nauwelijks meer over hem gesproken. Ik ben snel weer aan het werk gegaan, keihard aan het werk gegaan.”

Maar de dood van dierbaren valt niet weg te stoppen, leerde ook Eem. “Je kunt verdriet inslikken, maar het verlaat nooit je lichaam.” Als een smerige infectie nestelt verdriet zich in het lijf. In die gevallen leidt het verlies van een geliefd persoon tot lichamelijke of psychische klachten bij de nabestaanden. Uit gegevens van de Leidse onderzoeker Marc Cleiren blijkt dat meer dan een jaar na de dood van hun kind, een op de drie moeders nog zwaar depressief is. En de Engelse psychiater Colin Parkes ontdekte dat de kans op overlijden door een hartaandoening toeneemt na het verlies van de partner.

Eem ziet het iedere week in haar rouwgroepen. Weduwen en weduwnaars hebben het benauwd, kunnen niet slikken, klagen over pijn in de borst. “Het typische geval van een gebroken hart.” Rouwen doet zeer. Maar het nalaten van dit ritueel doet meer pijn. Ooit ontving Eem een boer en zijn echtgenote, die vijf jaar geleden hun enige kind hadden verloren. Het echtpaar had zich daarna in zijn eigen wereld opgesloten, konden geen kind horen huilen of zien spelen. De vrouw kreeg lichamelijke klachten: ze had regelmatig het gevoel te stikken. Eem: “Dàt gebeurt er als je verdriet wegstopt.”

D ood kan niet zonder tranen, zonder emotie. En juist daarop heerste in Nederland de afgelopen decennia een taboe. Drie jaar geleden plaatste Eem een oproep in een lokale krant aan ouders van doodgeboren baby's. Daar reageerden mensen op die twintig jaar geleden hun baby hadden verloren. “Maar in die tijd mocht je daar niet over praten.” Pathologische rouw noemt de Engelse psychiater Parkes het verschijnsel als mensen de pijn van het verlies proberen over te slaan. Vooral mannen hebben er last van. Overdag storten zij zich op hun werk, maar 's nachts bezoeken de doden hen in hun slaapkamer.

In zijn pastorie in Groningen knikt deken Dirk ten Dam (57) het hoofd. Ja, veel mensen willen hun emoties niet langer verbergen. Ze hebben de gevolgen aan den lijve ondervonden of hebben hun ouders eronder zien lijden. Daarnaast zijn de burgers mondiger geworden en is het indivudualisme opgerukt. In 1967, toen Dirk als pastor naar Groningen kwam, wisten de mensen van toeten noch blazen, zegt hij. “Ze deden wat de pastor zei, want dat was goed. Daarnaast kwam ik ook niet op de gedachte dat mensen creatief met verdriet konden omgaan.” Het concilie, begin jaren zeventig, veranderde veel: pastores kregen meer vrijheid en de missen werden niet langer in onverstaanbaar Latijn gehouden. Daarmee, zo zegt Dirk, werd het voor de nabestaanden ook makkelijker om zelf deel te nemen aan de begrafenismis. Voorzichtig betraden de eerste jongerenkoren de kerk. Ze zongen andere teksten op bestaande melodieën, herinnert de pastor zich. Toen een negentienjarige jongen uit Groningen door messteken om het leven kwam, hield Dirk ten Dam een dienst die voor driekwart uit popmuziek bestond. “Het gaat toch om jònge mensen?” De pastor ontving weinig commentaar. Wel hikte menige kerkganger aan tegen de komst van een drumstel in de kerk. Maar Dirk hield voet bij stuk. “Je moet die popliederen toch ook begeleiden?”

Dirk borg de pasklare liturgie op in de kast en voerde overleg met de nabestaanden. Veel was mogelijk. Maar de diensten die hem het meest zijn bij gebleven, zijn emotionele missen. De begrafenis van de driejarige Kim, die 's nachts na een griepaanval overleed. Haar moeder was nog bij haar in bed gekropen. Vier dagen heeft Dirk met Kims ouders gepraat en gehuild. Daarna heeft hij de dienst geleid. Kims vader heeft de doopkaars - het meisje was door Dirk gedoopt - brandend op het graf geplaatst.

Regelmatig dringt de pastor er op aan zulke rituelen uit te voeren. Want zonder rituelen is het afscheid volgens hem niet volledig. Bij een crematie verzoekt hij de nabestaanden altijd toe te kijken terwijl de kist zakt. Veel mensen vinden dat moeilijk: de gedachte aan het lijk op weg naar de oven waar het weldra tot gemiddeld 2,8 kilo as verpulvert, verdringt men liever. Op de harde, lichamelijke kant van de dood rust nog altijd een taboe.

De Antilliaanse vrouw had gehuild en gegild, dwars door de korte dienst van Dirk heen. Haar armen had ze naar de hemel opgeheven. Haar man was daags ervoor van de negende verdieping van een flat naar beneden gesprongen. Zijn familie bedolf ze tijdens de dienst onder de hatelijkheden. Niet de aardigste methode, meent de pastor, maar aan emotie geen gebrek. Eerst verbaasde Dirk ten Dam zich over de rouwverwerking van de relatief grote Antilliaanse gemeenschap die in de jaren tachtig in 'zijn' wijk neerstreek: de dood van dierbaren moest uitbundig worden beleefd. Maar ze hebben tenminste hun rituelen bewaard en herdenken met vele verwanten en vrienden de dood.

Die herdenking is belangrijk, zegt maatschappelijk werker Eem Fraterman. In de Bredase rouwgroepen is de grootste klacht dat de omgeving net doet of er niets aan de hand is. Niet uit onwil, maar uit onhandigheid. Bovendien horen de meeste Nederlanders liever dat het goed gaat. Natuurlijk, meent Eem, de eerste weken is er belangstelling, maar die ebt snel weg. “De eerste dagen leef je in een roes, hebben veel mensen het gevoel onder een glazen kaasstolp te zitten. Dan blijken ze ook heel goed in staat alle rompslomp te regelen. Maar na ongeveer twee maanden volgt de echte klap.” Het bezoek is dan al verdwenen.

U it het onderzoek van Marc Cleiren onder de achterblijvers van 300 sterfgevallen blijkt dat de wijze waarop iemand overlijdt, voor de nabestaanden niet veel uitmaakt. Op de dood van een man met een lang ziekbed wordt vaak heftig gereageerd en de schok van een dodelijk ongeluk verdwijnt sneller dan gedacht, schrijft Cleiren. Alleen de partner en kinderen van iemand die zelfmoord heeft gepleegd, voelen zich vaak opgelucht. En, zo schrijft Cleiren, de nabestaanden moeten met de dood zelf en met de doodsoorzaak in het reine komen - ieder op zijn eigen manier.

Meer nog dan allochtonen hebben jonge homofielen en aidspatiënten de rituele herdenking van de doden weer in de Nederlandse samenleving gebracht. In diverse publickaties komen deze jonge mannen naar voren als degenen die halverwege de jaren tachtig de grote omslag in het denken over sterven en rouwen teweeg hebben gebracht. Doordat aids een ziekte is die zich jaren kan voortslepen, hebben ze alle tijd om over hun eigen begrafenis na te denken. Vaak grijpen extraverte homofielen en aidspatiënten hun dood aan om een statement te maken, om zich te distantiëren van de grauwe massa en niet zelden om zich te onderscheiden van elkaar.

Journalist Edwin Bakker, die op 31-jarige leeftijd aan aids overleed, had als wens dat bij zijn overlijdensadvertentie zijn foto zou worden geplaatst. Hij wilde zo “een ingesleten traditie” doorbreken. Telegraaf, Algemeen Dagblad, Trouw, Parool en NRC Handelsblad plaatsten de foto op 14 juli 1993. De uitvaart van de bekende Amsterdamse homoseksueel en eigenaar van discotheek iT, Manfred Langer, begin dit jaar was een hoogtepunt van opgedirkt ceremonieel. Onder massale belangstelling werd hij in een roze lijkauto van de Dam naar de Amsterdamse begraafplaats Zorgvliet vervoerd, waar de bont uitgedoste nabestaanden wodkaflesjes op zijn roze kist gooiden. Precies zoals de discotheek-eigenaar het zelf had bedacht.

Pastor Dirk ten Dam stemt in met het regisseren van de eigen begrafenis - al enige tijd gebruikelijk in homo-kringen en sinds kort ook in andere, progressieve heteroseksuele groepen. “Zolang er ruimte blijft voor de nabestaanden om te rouwen.” Ja, soms vragen de stervenden het onmogelijke, verzucht Dirk. Zelf was hij een jaar lang betrokken bij de verzorging van een aidspatiënt. Deze man wilde een begrafenismis in het Latijn. “Ik zei tegen hem: 'Man, waar moet ik een koor vinden dat zo'n mis nog kan zingen'?”

O ndernemers in het uitvaartwezen zijn inmiddels gretig op de nieuwe trends ingesprongen. De grotere ondernemingen worden daarbij opgejaagd door nieuwe, niet conservatieve uitvaartbedrijfjes, wier creativiteit verder reikt dan de bijna spreekwoordelijke koffie met cake. Kunstenaars beschilderen doodskisten-op-bestelling, een ex-verpleegkundige en voormalige bejaardenverzorger zijn in Groningen een uitvaartwinkel begonnen en een bureau verhuurt zangers en muzikanten, die op de begrafenis ieder gewenst lied ten gehore brengen. En de baten kunnen oplopen: in Nederland overleden vorig jaar 133.912 mensen. Circa 52 procent van hen werd begraven, de rest gecremeerd.

Nederland geeft steeds meer geld aan sterven uit. In 1985 draaiden de uitvaartondernemingen een omzet van 409 miljoen gulden, in 1991 van 608 miljoen gulden. Tegenwoordig kost een uitvaart gemiddeld tussen de 4.500 en 6.000 gulden, aldus de Nederlandse Vereniging van Erkende Uitvaartondernemingen (Nuvu). Daarvoor krijgen de nabestaanden een 'doorsnee' uitvaart: een rouwdienst, kaarten, twee volgauto's, bloemen en koffie na afloop. De kosten verschillen sterk per regio. Zo kan een begrafenis die in Groningen 4.000 gulden beloopt, in Amsterdam 6.000 gulden kosten. De overheadkosten van de uitvaartondernemer, verzucht een woordvoerder van de Nuvu. In Amsterdam moet de ondernemer nu eenmaal meer huur voor zijn kantoor betalen dan in Groningen.

In extreme gevallen kan een begrafenis 20.000 gulden kosten. De dode wordt dan gereden in een rouwkoets, herdacht door honderden belangstellenden en geëerd met advertenties in de duurdere kranten. De begrafenis van Manfred Langer moet volgens de uitvaartondernemers tienduizenden guldens hebben gekost.

De snelle groei van cremeren - van 13 procent in 1970 naar 44 procent in 1990 - is de laatste jaren afgevlakt. Sommigen vinden het nog altijd een nadeel dat er na de crematie bijna niets meer te herdenken valt. De Wet op de Lijkbezorging is daartoe in 1991 aangepast: nabestaanden mogen de as mee naar huis nemen. De uitvaartbranche heeft daar onmiddellijk iets op gevonden: ze heeft mooie urnen in de aanbieding of doet de as in een medaillon om je nek.

Sterven is big business. En in de jacht naar welvaart en geld is de dood niet ontsnapt aan de 'nieuwe zakelijkheid'. Een collega van maatschappelijk werker Eem Fraterman cremeerde haar moeder in 1982. Het gezin wilde de vrouw thuis opbaren, de begrafenisondernemer weigerde. “We hebben laatst nog meegemaakt hoe de vloeistof uit het lijk liep, mevrouw.” Tijdens het condoleren tikte de ondernemer haar op de schouder. “Mevrouw, wat moeten we met de as doen?”