Centrum van sabotage

J.L. VAN DER PAUW: Guerrilla in Rotterdam. De paramilitaire verzetsgroepen 1940-1945

483 blz., Sdu Den Haag, 1995, ƒ 59,90

De scheepssabotage was het visitekaartje van de georganiseerde Rotterdamse illegaliteit, die in de tweede helft van 1944 tal van huzarenstukken uithaalde en over het geheel genomen doelgerichter was en de Duitsers hardere slagen toebracht dan enige andere verzetsgroep in Nederland. De Rotterdamse historicus Hans van der Pauw (1955) rekent in zijn dissertatie Guerrilla in Rotterdam die hij in opdracht van de Erasmusuniversiteit schreef, de Maasstad in het laatste oorlogsjaar tot het belangrijkste centrum van actief paramilitair verzet in bezet Nederland en de gewapende Rotterdamse ondergrondse tot de effectiefste verzetsgroeperingen. Al was zij volgens militaire maatstaven schamel bewapend, ze bracht vooral na Dolle Dinsdag het lokale hoofdkwartier van de SD, de Aussenstelle aan de Heemraadssingel, in het nauw en ze deinsde er zelfs niet voor terug de Duitsers in het hol van de leeuw op te zoeken. De overval van het SD-gebouw is een van de meest gedurfde acties die Van der Pauw beschrijft. Hij werd uitgevoerd met 75 man die afkomstig waren uit alle ploegen van de LKP-Rotterdam en omgeving. Ze sloegen toe tijdens een Joelfeest in het nabijgelegen Casino waar een groot deel van de Duitse sterkte zich een stuk in de kraag dronk. De overval liep alleen op een jammerlijke mislukking uit (en werd onmiddellijk meedogenloos gewroken), maar dat lag minder aan het scenario dan aan de uitvoering. De opzet was zorgvuldig genoeg geweest, maar de ploeg in de bosjes aan de overkant die de LKP'ers in de hal dekking gaf, schoot te vroeg waardoor de overvallers in de Aussenstelle in het vuur van hun eigen ploeg terecht kwamen.

Meer succes boekten de Rotterdamse knokploegen met een al even spectaculaire als gewaagde bevrijdingsoverval op het Hoofdbureau van Politie aan het Haagsche Veer. In de vermomming van SS'ers (in uniformen die tot de standaarduitrusting van de overvalploegen behoorden) verschaften 19 LKP'ers zich via de dienstwoning van de kantinechef toegang tot de politiegevangenis en maakten zich meester van de sleutels. Achttien politieke gevangenen, onder wie een topman van het Rotterdamse verzet J.P. Sijpesteyn, werden in nauwelijks twintig minuten tijds naar buiten geloodst, waar auto's klaarstonden om hen naar onderduikadressen in Kralingen te brengen. De overval slaagde tot in de kleinste bijzonderheden, zelfs de petten die de kaalgeknipte hoofden van de gevangenen buiten tegen herkenning moesten beschermen, waren niet vergeten. In het rumoer en de spanning van de uittocht hadden ze slechts een kleinigheid over het hoofd gezien. Pas buiten ontdekten ze dat ze veertig mannen uit de politiegevangenis hadden gehaald in plaats van de geplande achttien en ook 'gewone criminelen' hadden bevrijd.

In geldkraken voerde Rotterdam eveneens de eredivisie van de illegaliteit aan. De landelijke leiding van de LKP, die geldroof in strijd achtte met de idealen van de illegaliteit, mocht op dit punt een actief ontmoedigingsbeleid voeren, voor de eclatante successen van de Rotterdamse Ploeg Jos kneep ze wel een oogje dicht. Drie leden van deze dare devilsbrigade stelden zich in de avond van 4 oktober 1944 in de woning van de caissière van het stationspostkantoor Delftsche Poort onder bedreiging van hun schietwapens in het bezit van de duplicaatsleutel van de kluis, waarna ze de brandwachten buiten gevecht hadden gesteld en met een enorme hoeveelheid geld naar buiten waren gekomen. Het was een overval uit het boekje. Er bleef, noteert Van der Pauw laconiek, nog wat geld in de kluis achter en onderweg naar de auto ging er inderhaast nog wat verloren, maar de 85.000 munt- en bankbiljetten (in coupures van 1 tot 100 gulden) konden snel worden ingeladen. De buit bedroeg welgeteld ƒ 1.139.679,-. En elke cent werd verantwoord. Sam Esmeyer, het brein van de LKP-Rotterdam, die de overval had geblauwdrukt, toucheerde voor zijn knokploegkas ƒ 690.000,- waarvan hij een half miljoen, aldus Van der Pauw, direct doorschoof naar het Nationaal Steunfonds, dat op landelijk niveau de financiering van het verzet regelde en wel een douceurtje kon gebruiken sinds het na de spoorwegstaking van begin september 30.000 ondergedoken spoorwegmannen extra 'in de voeding' had.

In het laatste oorlogsjaar telde Rotterdam drie belangrijke spionagegroepen, waaronder de vermaarde groep Albrecht, de enige spionagegroep die vrijwel de gehele oorlog in zendcontact stond met Londen zonder zelfs maar één keer in de handen van de Duitse contraspionage te vallen. Behalve de groep Albrecht waren in Rotterdam ook het hoofdkwartier van landelijk sabotagecommandant J.A. van Bijnen en het Operatie-Centrum van de Raad van Verzet gevestigd. Daar lagen vooral strategische overwegingen aan ten grondslag, die voortvloeiden uit de verwachting dat de geallieerde invasie via de Nieuwe Waterweg zou worden uitgevoerd. In dat geval zou Rotterdam in de laatste fase van de oorlog en vooral bij een eventuele eindstrijd een centrale rol gaan spelen. Om die reden, aldus Van der Pauw, was Amsterdam als basis 'niet eens overwogen'. Hier hadden de OD en allerlei illegale overlegorganen die reeds over naoorlogse politieke kwesties vergaderden hun hoofdkwartier en Van Bijnen had zowel van de OD als van 'praatcolleges' (in het bijzonder van de Top-Driehoek) een afkeer.

Van der Pauw geeft een gedegen geschiedenis van de OD, die zijn kader hoofdzakelijk recruteerde uit de gelederen van de voormalige krijgsmachtofficieren die na de capitulatie in het verzet waren gegaan. De rivaliteit tussen de overwegend gouvernementele, rechtsgeoriënteerde OD en de militante rauwe bonken van de LKP plaatst hij evenwichtig in de historische sociaal-politieke context. Even instructief is de minutieus gespecificeerde verlies- en winstrekening die Van der Pauw opmaakt van de paramilitaire verzetsactiviteiten in Rotterdam. Hij onderscheidt een dilettantische, onervaren 'eerste generatie' die in de periode 1940-1942 zware verliezen leed en vrijwel geheel werd opgerold, en een doelgerichter, beter georganiseerde, meer professionele 'tweede generatie' die in 1944, vooral na D-Day, ondanks zware verliezen (door verraad en infiltratie) tot de bevrijding wist te overleven.

De LKP-Rotterdam werd door tientallen arrestaties getroffen, waaronder die van haar leider Van der Stoep, haar voormalig leider Esmeijer, haar sabotagecommendant Van Bijnen en vier van haar ploegleiders. Soms veroorzaakte een arrestatie in deze groepen wel een kettingreactie, maar meestal bleef deze toch wel beperkt van omvang, wat volgens Van der Pauw vooral aan elementaire veiligheidsmaatregelen te danken was. “Een sneeuwbaleffect waaraan uiteindelijk de gehele organisatie ten gronde ging, is nooit opgetreden.”

Met zijn kern van nauwelijks 500 actieve illegale werkers (en -sters) die Van der Pauw op haar hoogtepunt becijfert heeft de georganiseerde Rotterdamse ondergrondse in 1944 een verbazingwekkende activiteit ontplooid, en het meest verbazingwekkende aspect waarop de auteur meer dan eens de aandacht vestigt is de leeftijd van die partizanen (voor de Duitsers: 'Terroristen'). De meesten waren nog maar net hun eerste baardharen ontgroeid. Jongens waren het - jongens van twintig, die soms een bovenmenselijke verantwoordelijkheid droegen!

Van der Pauws dissertatie is een monumentaal werk, het eerste zakelijke overzicht gewijd aan de historie van het gewapende Rotterdamse verzet, dat zowel met hartstocht als mierenijver uit officiële documenten, particuliere archieven en getuigenissen van oud-illegalen is opgebouwd. Zijn boek is ook een belangrijke historiografische bijdrage aan de ontmythologisering van het verzet. Helden komen in het boek niet voor, wel psychologisch herkenbare menselijke gestaltes, met al hun rijkgeschakeerde kwaliteiten en gebreken. Ook de zwakke figuren in het verzetsmilieu, zoals de door zijn eigen makkers geliquideerde verrader Kees Bitter, leider van de LKP-Rotterdam-Zuid, krijgen het volle pond.

Uit het gezichtspunt van documentatie en bronnenverantwoording is Guerrilla in Rotterdam een eerste klas boek, maar dat kan van Van der Pauws proza helaas niet gezegd worden. Het is het proza van iemand die te veel notulen gelezen heeft en zich in jarenlange studie heeft overeten aan processen-verbaal.