BVD op politiepad is niet goed voor de rechtsstaat

Nu de Koude Oorlog voorbij is, begeeft de BVD zich steeds meer op het pad van de misdaadbestrijding. Dat is gevaarlijk, betogen Dirk van der Landen en Jurjun Pen. Het gevaar bestaat dat de reguliere opsporingsinstanties hun 'vuile werk' zullen uitbesteden aan de BVD, die immers geen last heeft van knellende regels en toezicht.

Binnenkort wordt in de Tweede Kamer het jaarverslag van de BVD besproken. Uit dat jaarverslag blijkt dat de BVD zich steeds meer op het terrein van politie en justitie begeeft. Het gevaar bestaat dat de BVD het vuile werk voor de politie gaat opknappen. Nu al wordt 20 tot 30 procent van de door de BVD benodigde informatie vergaard door toepassing van niet in de wet geregelde opsporingsmethoden als observeren, infiltreren en gebruik van informanten. Dit terwijl de Raad van State in juni vorig jaar oordeelde dat de (politieke en rechterlijke) controle op de BVD tekort schiet in het licht van het Europees Verdrag tot Bescherming van de Rechten van de Mens.

Vanaf de oprichting van de Binnenlandse Veiligheidsdienst in 1949 tot aan het einde van de jaren tachtig gold de BVD als de Nederlandse tegenhanger van de Sovjet- en Oost-Europese veiligheidsdiensten. Daarmee lag het werkterrein van de BVD vast. Het einde van de Koude Oorlog noopte tot een herbezinning op de taken. Volgens een in 1990 verschenen notitie zijn primaire bedreigingen van het post-Koude Oorlog tijdperk: terrorisme, sabotage en andere gewelddadige acties; onverdraagzame ideologische uitingen en gedragingen door groeperingen; de invloed van de georganiseerde misdaad op het functioneren van de overheid en gewichtige maatschappelijke organisaties; spionage; misbruik van vitale technologieën en schending van geautomatiseerde gegevensopslag; diefstal van high-tech en belangrijke economische informatie en tenslotte proliferatie van nucleair materiaal.

Blijkens het jaarverslag van de BVD over 1994 richt de BVD zich vooral op corruptie bij de overheid en op de georganiseerde misdaad, ironisch genoeg vooral op Russische bendes. De GOS-mafia blijkt zich volgens het jaarverslag bezig te houden met activiteiten als vrouwenhandel en prostitutie, grootscheepse autodiefstal, afpersing, witwasactiviteiten, drugs- en wapenhandel. De BVD kondigt aan dat de samenwerking met politie en justitie op dit gebied zal worden geïntensiveerd. De BVD kondigt verder aan dat zij doende is met het opstellen van een 'toekomstgerichte veiligheidsanalyse' van de criminaliteit in de grote steden.

Als gevolg van deze activiteiten begeeft de BVD zich steeds meer op het terrein van politie en justitie. De BVD is echter geen opsporingsinstantie en heeft derhalve geen opsporings- en vervolgingsbevoegdheid. Het is de BVD zelfs bij wet verboden om strafbare feiten op te sporen. Artikel 20 van de Wet op de inlichtingen- en veiligheidsdiensten (WIV) bepaalt: “De ambtenaren van de diensten bezitten geen bevoegdheid tot het opsporen van strafbare feiten”. In de memorie van toelichting op de deze wet wordt deze uitdrukkelijke uitsluiting aangemerkt als een bijzondere waarborg dat de betrokken inlichtingendiensten binnen hun door de wet omschreven taakgebied blijven. Dit taakgebied bestaat uit: a. het verzamelen van gegevens omtrent organisaties en personen door hun doelen en of activiteiten “een gevaar vormen voor het voortbestaan van de democratische rechtsorde, dan wel voor de veiligheid of voor andere gewichtige belangen van de Staat”; b. het verrichten van veiligheidsonderzoeken ter zake van de vervulling van vertrouwensfuncties in de ambtenarij en het bedrijfsleven; c. het beveiligen van staatsgeheimen en van onderdelen van de overheidsdienst en het bedrijfsleven die “van vitaal belang zijn voor de instandhouding van het maatschappelijk leven”.

Deze omschrijving van het werkterrein is echter zo vaag dat de BVD, kennelijk met instemming van de verantwoordelijke minister van binnenlandse zaken, straffeloos zijn werkterrein kan verleggen naar de misdaadbestrijding.

De BVD mag echter niet op eigen initiatief onderzoek doen naar strafbare feiten. De taak van de BVD blijft beperkt tot het waarschuwen, informeren en adviseren van politie en justitie. Het is vervolgens aan het openbaar ministerie en de opsporingsdiensten om op basis van de door de BVD aangebrachte informatie een eventueel opsporingsonderzoek op te starten. Deze taakverdeling is minder helder dan men op het eerste gezicht zou denken. Het vergaren van informatie omtrent de georganiseerde misdaad en alles wat daarmee samenhangt zal al spoedig tot het opsporen van strafbare feiten leiden. Ook als de BVD niet tot de opheldering van strafbare feiten komt, is het mogelijk dat de door deze dienst aan politie en justitie geleverde informatie bewijsmiddelen bevat. In dat geval rijst de vraag of dergelijk materiaal in een strafproces kan worden gebruikt.

In een brief van 28 februari 1992 aan de Tweede Kamer beantwoordde de toenmalige minister van justitie Hirsch Ballin deze vraag bevestigend. Probleem is wel dat de rechter moet kunnen toetsen of het door de BVD aangeleverde materiaal een “redelijk vermoeden van schuld” oplevert. Volgens Hirsch Ballin zal de BVD in voorkomende gevallen “via een ambtsbericht die toetsing mogelijk moeten maken”. Deze visie is nogal naïef. Niet voor niets staat in het jaarverslag te lezen dat de BVD altijd bronbescherming garandeert. Rechterlijke controle is dus per definitie niet mogelijk.

De BVD vervult zijn taak in gebondenheid aan de wet en in ondergeschiktheid aan de betrokken minister. Alleen indien dat met het oog op de taakopdracht van de BVD absoluut noodzakelijk is, en dan bij of krachtens de wet, kunnen bijzondere bevoegdheden voor de BVD worden geschapen. Dit is gebeurd met de bevoegdheid om met behulp van richtmicrofoons gesprekken af te luisteren die in een woning worden gevoerd, en om telefoons af te luisteren. Niet is geregeld echter: wie ten minste aan de afgeluisterde gesprekken moeten deelnemen; de maximale duur van het middel (“telkens voor de duur van drie maanden”); het opmaken van verbalen van de afgeluisterde gespekken; het wissen van de banden indien blijkt dat er geen gevaar voor de veiligheid van de staat is en een rechtsmiddel tegen deze inbreuk, terwijl artikel 13 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens wel dergelijke voorwaarden verbindt aan het afluisteren van telefoongesprekken.

Het wekt dan ook geen verbazing dat de Raad van State vorig jaar oordeelde dat in de Wet niet voldoende is aangegeven onder welke omstandigheden en met welke middelen de BVD bevoegd is inbreuk te maken op de persoonlijke levenssfeer van het individu. Ook achtte de Raad van State de controlemogelijkheden op de BVD niet in overeenstemming met het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden. Het gezag over de BVD berust bij de minister van binnenlandse zaken. Deze dient verantwoording af te leggen aan de vaste Commissie voor de Inlichtingen- en Veiligheidsdiensten die bestaat uit de fractievoorzitters van de vier grote partijen. Van Thijn had als minister van binnenlandse zaken geen hoge dunk van de kwaliteit van deze parlementaire commissie. Hij schrijft in zijn dagboek: “De commissie bestaat uit overbelaste fractievoorzitters die ambtshalve achter de feiten aanhollen”.

De BVD wordt in haar werkzaamheden nauwelijks belemmerd door wettelijke regels. Het politiek en rechterlijk toezicht op het functioneren van de dienst is marginaal. Dat zou nog niet zo'n groot probleem zijn als de BVD zich niet zo nadrukkelijk zou begeven op het terrein van de misdaadbestrijding. Bij alle recente commotie over het gebruik van 'ongeoorloofde opsporingsmethoden' door de politie is het gevaar aanwezig dat de reguliere opsporingsinstanties hun 'vuile werk' zullen uitbesteden aan de BVD, die immers geen 'last' heeft van knellende regels en dito toezicht. Ons inziens is de rechtsstaat daarmee niet gediend.