All American boy is bescheiden Hollandse jongen gebleven

Marko Koers is het grootste Nederlandse talent op de 800 meter na Rob Druppers. Sinds hij in de VS studeert heeft hij zijn persoonlijke record met bijna vier seconden verbeterd. “In bepaalde opzichten wordt het je als atleet in Amerika makkelijker gemaakt dan in Nederland. Dit land is zeer sport-minded.”

CHAMPAIGN, 29 APRIL. Met een glimlach rond de lippen verontschuldigt Marko Koers zich bij zijn gesprekspartner. “Nu ga ik dus met volle mond praten.” Hij had trek in iets kleins, “in een broodje of zo”. Maar de circa tien centimeter dikke sandwich die de ober hem serveert heeft meer weg van een volwaardige maaltijd. “Ach ja, dit is Amerika, weet je”, klinkt het goedkeurend als hij de met vier plakken ham, twee soorten kaas, komkommer, tomaten, ui, paprika en een halve krop sla belegde boterhammen naar zijn mond brengt.

Bijna vier jaar verblijft de 22-jarige atleet al in Champaign, een universiteitsstadje met ruim 80.000 inwoners ten zuiden van Chicago. Vier jaar waarin hij zich op het eerste gezicht heeft ontpopt als een All American boy: T-shirt, korte broek, blote voeten in gemakkelijk zittende slippers. En dat terwijl het buiten toch niet warmer is dan zeventien, achttien graden. Een paar uur eerder heeft hij in dezelfde outfit nog uitgebreid kalkoen, maïs en sweet potatoes gegeten bij de ouders van een vriendin. Heerlijk vindt hij dat, dat hij in Amerika bij alle gelegenheden gewoon kan aantrekken wat hem goed dunkt.

Het grootste Nederlandse talent op de 800 meter sinds Rob Druppers vindt het leuk om een landgenoot op bezoek te hebben. “Stap maar in”, zegt de tweevoudig Amerikaans studentenkampioen na de eerste kennismaking, trots wijzend op zijn auto. “Ik zal je eerst wat van de omgeving laten zien.” De auto is een Buick Le Sabre. Een slee uit 1973, groot genoeg voor een gezin met zes kinderen, maar volgens Koers “ook zeer geschikt om boodschappen mee te doen”. Omdat de richtingaanwijzer kapot is, kijkt hij bij iedere bocht nadrukkelijk om zich heen om te zien of er geen politie-auto in de buurt is.

De route voert over de enorme campus van de Universiteit van Illinois. We passeren de faculteit waar hij volgend jaar hoopt af te studeren als werktuigbouwkundige, het football-stadion waar het universiteitsteam voor 40.000 toeschouwers de thuiswedstrijden speelt en de 400-meterbaan waar hij vrijwel dagelijks op snelheid traint. Voor een sanitaire stop stelt hij voor om ook even langs zijn huis te rijden. “Dat vind je toch niet erg, hè? Kan je meteen zien hoe ik woon.”

Hij deelt de benedenverdieping van een fraai, aan een lommerrijke laan gelegen huis met een studie-genoot. Op de schouw in de woonkamer staan tientallen lege bierflesjes. Ja, inderdaad, de inhoud van de paar Amstel Light-flesjes is door hem genuttigd. Zijn eigen kamer is, zoals hij al had gewaarschuwd, een enorme puinzooi. “Maar ja, naast atleet ben ik natuurlijk ook gewoon student”, zegt hij lachend. Tussen de overal verspreid liggende kleren, studieboeken en schriften staat in een hoek een paar sportschoenen. Het zijn de schoenen die hij dagelijks aantrekt voor zijn duurlopen vlak buiten Champaign, in een polderlandschap dat hem regelmatig doet denken aan Nederland. Hij zegt het zonder veel enthousiasme.

Zelf hoefde hij niet zo nodig weg uit datzelfde Nederland. In zijn examen-jaar van de VWO had hij meerdere brieven gekregen van Amerikaanse universiteiten. Universiteiten waar hij soms zelfs nog nooit van had gehoord, maar die op de een of andere manier wel van hem en zijn toen al indrukwekkende prestaties op de middellange-afstanden op de hoogte waren. Of hij geen zin had om kosteloos in Amerika te studeren en - als tegenprestatie - voor de desbetreffende universiteiten uit te komen in het atletiekteam?

De brieven verdwenen ergens in een hoek, “gewoon omdat ik niet zoveel zag in zo'n avontuur”. “Ik wist ook helemaal niets van het Amerikaanse schoolsysteem en wilde het eigenlijk niet weten ook. Pas toen Chris Leeuwenburgh, de Nederlandse polsstokhoogspringer die was verbonden aan de Universiteit van Illinois, me vrijwel wekelijks begon te bellen en me vertelde over de sportieve mogelijkheden in Amerika, werd ik enthousiast.

“Uiteindelijk overtuigde Chris me en had ik zoiets van: 'Goed, laat ik het dan maar voor een jaartje proberen'. Niet veel later zat ik in het vliegtuig, in m'n eentje. Opgewonden en een beetje angstig tegelijk, omdat ik niet wist wat me te wachten stond. Het enige vertrouwde dat ik bij me had waren m'n koffer en het telefoonnummer van thuis. Maar dat jaar beviel uitstekend. M'n studie-resultaten waren goed en de sportprestaties gingen snel vooruit. De beslissing om te blijven was toen snel genomen.

“Sinds ik hier ben heb ik m'n persoonlijk record op de 800 meter met zo'n vier seconden verbeterd. Het staat nu op 1.44.84. Toch denk ik dat ik dezelfde vooruitgang had geboekt als ik gewoon thuis was gebleven. Natuurlijk, in bepaalde opzichten wordt het je als atleet in Amerika makkelijker gemaakt dan in Nederland. Dit land is zeer sport-minded, studie en sport zijn uitstekend te combineren. Beide doe je immers binnen de universiteit. Daardoor liggen de college-zalen en sport-accommodaties ook vlak bij elkaar. En bij het samenstellen van de lesroosters wordt rekening gehouden met de tijd die je in trainingen moet stoppen.

“Maar uiteindelijk moet ik ook hier gewoon zelf de motivatie opbrengen om twee keer per dag m'n trainingsschoenen aan te trekken. Net zoals dat in Nederland het geval zou zijn geweest. Daarom denk ik dat het er in principe ook niet zoveel toe doet of ik nou hier of daar zit. Waar het werkelijk om gaat, is of het allemaal goed zit in je hoofd. Of je gelooft in wat je doet. Als dat het geval is, kun je overal progressie boeken. En ga je vanzelf tot de besten behoren.

“Mijn trainer in Nederland, Theo Joosten, zag het aanvankelijk niet zo zitten dat ik naar Amerika ging. Hij was bang dat ik hier te zwaar belast zou worden. Dat ik in de eerste vijf maanden van het jaar te veel wedstrijden voor de universiteit zou moeten lopen en daardoor te vermoeid zou zijn om in de zomermaanden goed te presteren in het Europese circuit.

“En zeker, ik loop hier veel wedstrijden. Cross-country en de 800 en 1.500 meter, zowel in het binnen- als buitenseizoen. Omdat ik hun beste atleet op de middellange-afstanden ben, start ik vaak op één dag op beide afstanden. De universiteit verwacht dat ook van me, omdat ik hier naar toe ben gehaald om voor hun atletiekteam uit te komen. En van dat team wordt verwacht dat het goed presteert in wedstrijden tegen andere universiteiten. Dat ik ook nog later in het jaar, bij de grote wedstrijden in Europa, goed voor de dag wil komen, interesseert de universiteit verder in principe niet.

“Maar de meeste wedstrijden die ik hier loop zijn voor mij niet meer dan trainingen, omdat de tegenstand meestal niet zo veel voorstelt. Neem een 800 meter. Dan sta ik aan de start en weet ik dat ik aan 1 minuut en 52 seconden voldoende heb om te winnen. In Europa, waar de concurrentie vaak uit de absolute wereldtop bestaat, moet ik 1.45 of zelfs 1.44 lopen om eerste te worden. Door die wedstrijden hier heb ik geleerd om selectief te lopen, om m'n krachten te sparen als ik ze ook niet echt nodig heb.

“Ik train hier vooral met de schema's van Theo Joosten, die op m'n veertiende mijn trainer werd bij AV Nijmegen. Theo zit gewoon in Nederland, maar we bellen vrijwel wekelijks en faxen veel. Hij weet precies wat mijn dagelijkse inspanningen zijn. Coach Wieneke, de hoofdtrainer van het atletiekteam hier, heeft er begrip voor dat Theo zo nadrukkelijk aanwezig is. Omdat hij weet dat ik dat prettig vind. Natuurlijk, als Wieneke iets verkeerds ziet, zegt hij dat. Maar meestal zit hij voornamelijk langs de kant om m'n tijden te klokken. Hij vindt het ook niet erg dat ik er naar toe werk om in de zomer, in het Europese seizoen, te pieken. En niet zoals zijn andere atleten in mei, als in Amerika de belangrijkste universiteitswedstrijden worden gehouden. Zolang ik ook hier maar presteer en m'n wedstrijden win, is hij tevreden. En ach, die wedstrijden wil ik natuurlijk ook winnen.

“Dit seizoen staat vooral in het teken van de wereldkampioenschappen, later dit jaar in Zweden. Daarvoor probeer ik vooral m'n basis te verbeteren. Ik moet sterker worden, want dat was de les van het EK van vorig jaar. Toen bleef ik in de halve finales steken, net als bij het WK van '93 en de Olympische Spelen van '92. Ik heb aan de absolute top geroken. Het zou mooi zijn als ik in Gothenburg bij de top kom. De finale haal.”

Aan meer, een medaille-plaats bijvoorbeeld, denkt hij niet. Laat staan dat hij daar uitspraken over doet, “want dat past gewoon niet bij mij”. Plezier hebben in het dagelijks leven, met vrienden een maaltijd in elkaar flansen en zichzelf daarnaast beetje bij beetje verbeteren op de atletiekbaan, dáár schept hij genoegen in. Wat dat betreft, beaamt hij, is hij in Amerika een heel bescheiden Hollandse jongen gebleven. Dezelfde jongen eigenlijk die als veertienjarige “een heel enthousiast gevoel van binnen kreeg” wanneer hij een persoonlijk record liep op de clubkampioenschappen van AV Nijmegen. Een gevoel dat hem sindsdien heel vertrouwd is geworden.