Achteraf zegt de Nederlander dat hij het ook niet makkelijk heeft gehad; 'Ik wil in mensen altijd iets joods zien. Dat is dichtbij'

Willy Lindwer (Amsterdam, 1946) heeft inmiddels vijftien documentaires gemaakt over de Tweede Wereldoorlog, of beter: over de jodenvervolging. Tot de bekendste titels behoren De laatste zeven maanden, vrouwen in het spoor van Anne Frank (in 1988 bekroond met een Emmy Award), Kamp van hoop en wanhoop, getuigen van Westerbork 1939-1945 en Kind in twee werelden (in 1993 winnaar van een Gouden Kalf). Zijn jongste twee films, Kinderen van de oorlog en Het fatale dilemma, worden door de TROS uitgezonden op respectievelijk 1 en 8 mei. Laatstgenoemde documentaire schetst, aan de hand van getuigenissen, de controversiële geschiedenis van de 'Joodsche Raad voor Amsterdam':

“In juli '42, vlak nadat de deportaties waren begonnen, kreeg mijn vader zijn eerste oproep. Hij is toen naar Max Bolle gestapt, de secretaris van de Joodsche Raad, de tweede man na de voorzitters Abraham Asscher en David Cohen. Ze waren heel goed bevriend, maar Max Bolle zei: ik kan niks voor je doen, je moet maar gehoor geven aan die oproep. Met dat beeld ben ik opgegroeid: een Joodsche Raad die de mensen níet adviseerde om onder te duiken. Mijn ouders zijn desondanks wel meteen ondergedoken en daarom kon ik negen maanden na de oorlog worden geboren.

De Nederlanders beschouwen de Joodsche Raad over het algemeen als een instituut van collaboratie. Asscher en Cohen zijn na de oorlog gearresteerd, puur vanuit antisemitische overwegingen. Zo van: jullie hebben óók collaborateurs gehad, niet alleen wij Nederlanders, maar ook jullie joden.

Met Het fatale dilemma wil ik laten zien dat het niet de Joodsche Raad en niet Asscher en Cohen waren die de joden in Nederland naar de verdommenis geholpen hebben. Zij hebben enkel geprobeerd via onderhandelingen te redden wat er te redden viel en het proces te vertragen. Daarbij hebben ze een grenzeloze naïviteit aan de dag gelegd en zijn ze talloze keren besodemieterd.

Maar je mag niet vergeten dat de Duitsers de deportatielijsten opstelden en dat het Nederlandse ambtenarenapparaat meewerkte aan de registratieplicht. Dat heeft de Joodsche Raad allemaal niet gedaan, alle mythevorming ten spijt. De Joodsche Raad probeerde zoveel mogelijk Sperren, vrijstellingen te verkrijgen. Men beweert dat die vooral aan intellectuelen en notabelen werden verstrekt, maar inmiddels is bewezen dat de Raad ook talloze mensen in dienst nam uit wat we het sinaasappelproletariaat noemen. In de film heb ik het hier niet over, omdat het voor mij niet de essentie is van de Joodsche Raad.

Ik wilde vooral laten zien hoe duivels het systeem van de nazi's is geweest. Zij lieten de joden zelf het werk doen, via de joodse raden en via de ordediensten. Joden werden tegen joden opgezet en waren uiteindelijk gedwongen om zichzelf op te knopen. De ultieme vernedering. Gerard Polak, destijds in dienst bij de Joodsche Raad, vertelt in de film dat hij maar één Sperre tot zijn beschikking had voor een moeder met zes opgeroepen zonen. Sophie's Choice dus. Het raffinement van de Duitsers zet mensen nog tot op de dag van vandaag tegen elkaar op.

Het fatale dilemma had ik tien jaar geleden niet kunnen maken. Ik voelde me nu pas rijp genoeg. Ik beschouw deze film voorlopig als een afronding van mijn werk over de jodenvervolging. Ik heb nu vijftien van dit soort documentaires gemaakt. Het is goed om even afstand te nemen. Ik vind het belangrijk om alsmaar te blijven vertellen wat ons is aangedaan. Maar het moet niet zo'n obsessie worden dat je er zelf in stikt.

Ik heb het nooit over goed of fout in mijn films. Dat zijn voor mij onhanteerbare, gevaarlijke begrippen. Maar ik heb er wel behoefte aan om te benadrukken dat Westerbork bewaakt werd door Nederlandse marechaussees en dat er drieënnegentig treinen met steeds elf tot dertien honderd joden naar Auschwitz en Sobibor reden en dat die treinrails niet één keer door het verzet onklaar zijn gemaakt.

En achteraf zegt dan de Nederlander dat hij het zelf ook niet makkelijk heeft gehad. In Vrede, godverdomme, vrede stelt Hans Keller dat het in september '44 pas echt erg werd. Toen brak de hongerwinter namelijk aan. Dat heeft me mateloos geërgerd. Daar begrijp ik niks van. Dat je voorbij kunt gaan aan het feit dat er op dat moment al 100.000 Nederlandse joden in Auschwitz waren vermoord.

Ik vroeg je of je joods was omdat ik zo gefixeerd ben dat ik soms dingen zie die er niet zijn. Ik wil in mensen of dingen altijd iets joods zien. Dat is dichtbij, vertrouwd. Het is natuurlijk onzin, maar zo zitten wij in elkaar. Ja, ik heb het over wij: wij = joods.

Ik gebruik nooit joodse muziek in mijn films, ik hou niet van opgelegde schmalz. Ik wil het joodse volk niet zieliger afschilderen dan we misschien al zijn in de ogen van anderen. Wij zijn niet zielig, wij zijn in de rol van slachtoffer gedrukt, maar we hebben nog altijd wat te vertellen en we hebben een enorm verhaal te vertellen.

Ik ben opgegroeid met al die oorlogsellende. Mijn ouders hebben er altijd voluit over gesproken, óók over de familieleden die er niet meer waren. Het was bij ons thuis niet Het Grote Geheim. Eerder het tegenovergestelde. En ik kon alleen maar aanhoren wat er gebeurd was. Ik was van na de oorlog. Ik wist van niks. Dus ik moest mijn mond houden. Maar ik kan m'n mond er niet over houden. Dus ik probeer het nu op deze manier.

De oorlog heeft een verschrikkelijke kloof geslagen, ook in ons gezin. Mijn broer heeft ongedoken gezeten, ik was het bevrijdingskindje. Mijn ouders zijn na de oorlog gescheiden. Mijn films zouden mijn vorm van verwerken kunnen zijn, al voel ik me niet een tweede-generatie-slachtoffer.

Al heel vroeg, als jongetje van tien, heb ik voor mezelf een nieuwe wereld opgebouwd, los van mijn ouders. Daarom ben ik filmer geworden. Al is dat erg ongepast voor een jongen uit een goeie joodse familie. Want dan word je arts of advocaat, maar geen filmer.''