20 juli als symbool

JOACHIM FEST: Staatsstreich. Der lange Weg zum 20. Juli

415 blz., geïll., Siedler Verlag 1994, ƒ 50,60

'Eindelijk een officier met fantasie en verstand bij de Generale Staf', zou Adolf Hitler hebben opgemerkt toen kolonel Claus Graf Schenk von Stauffenberg op 1 juli 1944 op zijn hoge post binnen de Duitse strijdkrachten werd benoemd. Een kleine drie weken later, vroeg in de middag van de twintigste juli, blies diezelfde Stauffenberg de Führer de lucht in.

Op het moment dat de bom af ging bevonden zich 24 personen in de barak van het hoofdkwartier van Hitler, de Wolfschanze, in Oost-Pruisen. Ze werden allen tegen de grond geslagen. De ramen sprongen uit de sponningen, het plafond kwam naar beneden. De eerste die bij zijn positieven kwam was generaal-veldmaarschalk Wilhelm Keitel, chef van het Oppercommando van de Wehrmacht. “Wo ist der Führer?” schreeuwde hij. Toen Hitler voorzichtig overeind krabbelde, sprong Keitel op hem af, omarmde hem en riep uit: “Mein Führer, Sie leben, Sie leben!” De bom was ontploft, maar de aanslag bleek mislukt. De staatsgreep die erop diende te volgen vond nooit plaats. Nog dezelfde dag werden de belangrijkste samenzweerders, onder wie Stauffenberg, geëxecuteerd. Honderden tegenstanders van het regime zouden in de maanden die volgden worden opgepakt, veroordeeld en terechtgesteld.

De symbolische waarde van de 'twintigste juli' zou de directe betekenis van de aanslag verre overstijgen. Ze was de belangrijkste, in ieder geval de bekendste daad van verzet in Duitsland tegen het nationaal-socialistische bewind. Ze ontlastte de Duitsers van tenminste een deel van het aan hen opgedrongen schuldbesef. Dat gold althans voor sommige tijdgenoten, maar vooral voor latere generaties. Over de aanslag, en vooral over de lange geschiedenis die eraan voorafging, over de personen die erbij betrokken waren, over hun ideeën en oppositionele activiteiten gaat Staatsstreich van de Duitse historicus Joachim Fest. Het boek, schrijft de auteur, richt zich tot een breed publiek. Het biedt geen nieuwe feiten. Het vertelt een oude geschiedenis op basis van de huidige stand van onderzoek.

Hoewel de veelheid van publikaties en publieke manifestaties die vorig jaar in Duitsland de vijftigste verjaardag van de twintigste juli luister bijzetten anders zou kunnen doen vermoeden, is het oordeel over de oppositie tegen het nationaal-socialisme lange tijd nogal ambivalent geweest. Dit geldt in het bijzonder voor het deel van het Duitse verzet dat Fest in Staatsstreich beschrijft: de groep rondom de voormalige burgemeester van Leipzig Carl Goerdeler en de teruggetreden chef van de Generale Staf Ludwig Beck, de zogeheten Kreisauer Kreis van graaf Helmuth von Moltke, en de oppositie binnen het leger, waarvan Stauffenberg uiteindelijk de belangrijkste vertegenwoordiger werd.

Hoewel de personele en ideologische verschillen tussen deze drie groeperingen aanzienlijk waren, ondanks de vaak nauwe onderlinge contacten en de gezamenlijke en overtuigde anti-nazistische gezindheid, hebben ze lange tijd een twijfelachtige reputatie genoten. Ze zouden vooral conservatieve en autoritaire, zo niet reactionaire politieke opvattingen hebben gehuldigd. Ze zouden het regime aanvankelijk loyaal hebben gediend en pas tot inkeer zijn gekomen op het moment dat de Duitse nederlaag onvermijdelijk leek. Ze zouden uit eigenbelang hebben gehandeld. Ze zouden romantici zijn geweest. Ze zouden alleen hebben gestaan. Ze zouden nooit serieus zijn genomen. Ze zouden nog hebben gedroomd over een vooraanstaande rol van Duitsland in Europa en over een vrede met de (westelijke) geallieerden toen deze al tot onvoorwaardelijke overgave hadden besloten. En, vooral in de ogen van veel tijdgenoten, ze zouden volk en vaderland hebben verraden. Fest stelt alle oordelen die in de loop van de decennia over het verzet tegen het nationaal-socialisme zijn geveld aan de orde en trekt zijn eigen, genuanceerde, conclusies.

Staatsstreich begint met de vaststelling dat de 'ervaring van de onmacht' een wezenlijk bestanddeel was van de geschiedenis van het verzet tegen het nazi-regime. De vraag hoe Hitler bijna moeiteloos de macht kon overnemen en een vrijwel onbeperkte dictatuur kon vestigen, is niet pas na de ondergang van het Derde Rijk gesteld. Ze hield ook veel tijdgenoten, onder wie degenen die zich uiteindelijk tegen het nationaal-socialisme keerden, bezig. Het antwoord op deze vraag geeft ook inzicht in het isolement waarin het verzet tegen het nationaal-socialisme zich altijd bevond. Fest spreekt, in navolging van de samenzweerders zelf, van een Widerstand ohne Volk - een belangrijk onderscheid met het verzet in de door Duitsland bezette gebieden, waar loyaliteit, trouw en verraad een wezenlijk andere rol speelden. Het verzet in Duitsland, meent Fest, vond de morele, politieke en nationale rechtvaardiging vooral in zichzelf. Het was bovenal een kwestie van persoonlijk karakter, van individuele moed. De opvattingen van het verzet mogen door velen zijn gedeeld, zoals hij oppert, maar de praktische consequenties werden slechts door weinigen aanvaard.

Dit gold ook voor de legerleiding. Ondanks de minachting waarmee veel hoge officieren aanvankelijk reageerden op Hitler en ondanks de verontwaardiging die later werd geuit over de misdaden die in zijn naam en in die van het Duitse volk werden begaan, bleef het overgrote deel van de militaire top het regime loyaal dienen. Ludwig Beck, in 1935 benoemd tot chef van de Generale Staf, trad als enige generaal af in vredestijd uit protest tegen Hitlers oorlogsvoorbereidingen. Fest noemt alle bekende factoren die het meegaande gedrag van de militaire leiding zouden hebben bepaald, nuanceert het dikwijls gebezigde argument van het 'onpolitieke karakter' van de Wehrmacht en benadrukt uiteindelijk de betekenis van een gebrek aan 'moreel onderscheidingsvermogen'. Gewin op de korte termijn bleek belangrijker dan vermeende principes en tradities. En ook hier gold: onder de vele officieren die de ideeën van het verzet, waaronder een uitgesproken afkeer van het nationaal-socialisme, deelden, waren slechts weinigen bereid hier praktische gevolgen aan te verbinden.

Diversiteit

Fest heeft oog voor de diversiteit van motivaties en politieke opvattingen binnen de verzetsgroepen die hij beschrijft, maar bevestigt uiteindelijk toch het beeld van een samenzwering van een reeks conservatieve, soms reactionaire lieden. Het materialisme van de moderne tijd werd verworpen; het experiment van Weimar werd als afgeschreven beschouwd; en democratische vrijheden, waaronder het vrijelijk opereren van politieke partijen, zouden in ieder geval in een overgangstijd na de ineenstorting van het Derde Rijk dienen te worden beperkt. En dan laat Fest de in eerdere publikaties over het conservatieve verzet in Duitsland gesignaleerde anti-joodse sentimenten van een deel van de samenzweerders nog onvermeld. Hij merkt alleen op dat de jodenvervolgingen slechts voor een zeer klein deel van degenen die na de twintigste juli werden aangeklaagd (twintig om precies te zijn) de belangrijkste motivatie is geweest om tot het actieve verzet toe te treden. Conservatisme impliceert geen collaboratie, benadrukt Fest. Met grote stelligheid verwerpt hij de interpretatie dat het Duitse verzet pas in beweging kwam toen de militaire nederlaag onvermijdelijk leek. Hij ontkent eveneens dat de samenzweerders vooral door egoïstische motieven werden geleid, namelijk het verbergen van hun jarenlange samenwerking met het nationaal-socialistische bewind en het veiligstellen van hun privileges en maatschappelijke posities. Onzin, stelt Fest, het omgekeerde is eerder het geval. Reeds in 1938 vond één van de belangrijkste complotten tegen Hitler plaats, vlak voor de conferentie van München. Het bleef zonder gevolgen omdat Engeland en Frankrijk zich neerlegden bij de dreigementen van Berlijn. Bovendien, merkt hij op, hielden de tegenstanders van het nazi-regime vast aan hun overtuigingen, ondanks de reeks politieke en militaire successen die Hitler in de drie jaar die volgden zou boeken. Dezelfde namen duiken immers steeds weer op.

Offer

20 juli 1944 is het symbool van het verzet in Duitsland tegen het nationaal-socialisme, concludeert Fest in Staatsstreich, en zo werd het ook gezien door degenen die de samenzwering op touw zetten. Alle 'praktische' argumenten die tegen de aanslag zijn ingebracht, gaan aan de intentie van de daders voorbij: het brengen van een offer. Wat geldt voor het verzet in Duitsland als zodanig, geldt voor de aanslag van 20 juli in het bijzonder. De zin, de rechtvaardiging van de daad schuilde in de daad zelf, aldus Fest.

In historisch opzicht is de twintigste juli, is het Duitse verzet tegen het nationaal-socialisme, zonder gevolgen gebleven. Eigenlijk vond de belangrijkste oppositionele daad reeds op 26 januari 1933 plaats, meent Fest, namelijk de bezwaren die legerleider generaal von Hammerstein inbracht bij president von Hindenburg tegen de benoeming van Adolf Hitler tot Rijkskanselier. Alle latere plannen, acties en offers zijn morele overwinningen maar politieke mislukkingen geweest: de Elend der Vergeblichkeit. Zelfs als de aanslag op Hitler en de staatsgreep die daarop diende te volgen zouden zijn gelukt, dan nog was de oorlog niet anders afgelopen. Op 20 juli 1944 was het pleit reeds beslecht.

Fest en de vele historici die eerder eenzelfde oordeel velden, hebben waarschijnlijk gelijk. En zo niet, dan is dit goeddeels irrelevant want de aanslag is mislukt en de oorlog eindigde zoals hij is geëindigd: met de onvoorwaardelijke overgave door Duitsland. De enige vaststelling die nog rest is dat een voortijdig einde aan het regime dat de oorlog tot het bittere einde moest uitvechten, het leven van een deel van de 4,8 miljoen Duitsers die tussen 20 juli 1944 en het einde van de oorlog stierven (tegen 2,8 miljoen in de oorlogsjaren ervoor) zou hebben gered.