Zhang in de kast

Collega De W., biologiedocent, begiftigd met een grote belangstelling voor de vormen der natuurlijke verschijnselen, raakt niet uitgesproken over het hoofd van de dertienjarige Chinese Zhang, dat inderdaad een zekere charme heeft. Het gezicht is plat, het achterhoofd breed en lichtgerond, het schedeldak sterk hellend; het kortgeknipte haar ligt hier als een mutsje, dat uitloopt in vele scherpe punten, bovenop. De W., die graag tekent, zegt dat sinds Zhang bij ons op school is, hij 'onbewust geobsedeerd' is door Zhang. “Als ik gewoon begin te tekenen, zonder idee vooraf, wordt het altijd Zhang.”

Zhang, immer gekleed in een blauw trainingspak met daaronder een overhemd, is ook mijn held. Het jongetje zit hier sinds september op school en deelt de bank met de dertienjarige Azat uit Turkmenistan. Azat lijkt wat vlotter van begrip en vermaakt zich in deze klas uitstekend. Als ik roep: “Zhang!... Waar is Zhang?...” dan klinkt helder de lach van Azat, terwijl hij met een theatraal gebaar onder de bank wijst - waar Zhang dan zit. Met zijn prachtige witte tanden en vrolijke bruine ogen had uit Azat, zo stel ik mij voor, een trotse stepperuiter kunnen groeien, zijn heldere lach heersend over de vlakten.

Het is aanvankelijk niet duidelijk wat Zhang nu eigenlijk wel en niet begrijpt. Dat hij zich graag onder de bank ophoudt, lijkt een gevolg van het feit dat bij hem vaak spullen van tafel vallen: zijn pen, zijn potlood, zijn hele etui, de cassette Nederlands, het doosje van die cassette. Maar het heeft toch de schijn meer dan toeval te zijn.

Om Zhang duidelijk te maken hoe de woordenlijst die wij naast de teksten gebruiken hem van dienst kan zijn, vraag ik hem tijdens een van de eerste lessen: “Wat is náám in het Chinees, Zhang?” Op zo'n voor hem moeilijk moment kijkt hij mij niet aan. Voorovergebogen zit hij in zijn bank als iemand die zich concentreert op een geluid. “Naam. Zhang, náám, wat is dat in jouw taal?”

“Nàm?” piept Zhang.

“Ja, goed zo, naam. Maar kijk nu in je woordenlijst, Zhang.” Ik wijs daarin het woord 'naam' aan. Daarna wijs ik op de Chinese vertaling en vraag wat daar staat.

Zhang fronst, trekt zijn wenkbrauwen op, fronst weer, en dat een paar maal achtereen. Tegelijk stoot hij ritmisch kleine ademtochtjes uit: “Eh?... eh?... eh?...”.

“Yingao!” zeg ik, in een poging een Chinese klank uit te stoten, “Wat staat hier? Yingao?”

De klas lacht en Azat schatert. “Yingao!” herhaalt Azat, als betrof het een goede grap. Ik lach mee en ook Zhang lacht nu, zij het nog wat onzeker. Ik wijs nogmaals op het Chinese karakter en maak een zo duidelijk mogelijk wat-is-dat-gebaar, met open handen, opgetrokken schouders en opgetrokken wenkbrauwen. Zhang lacht en stoot een klànk uit, die mij Chinees aandoet.

“Nam”, vraag ik.

“Nàm”, bevestigt Zhang en spreekt nogmaals het Chinese woord uit. Ik ben tevreden en klop hem op de schouders.

Al zegt Zhang weinig, in de weken die volgen wordt duidelijk dat hij wel weet hoe hij de woordenlijst moet gebruiken. Schriftelijke overhoringen maakt hij veel beter dan Azat, die wel makkelijk praat maar nooit leert. Zijn neiging zich onder de bank te verschuilen is echter nog niet verdwenen. Zonder het me volledig bewust te zijn, voel ik de behoefte Zhang te provoceren. Wie is deze Zhang, die hier dagelijks in hetzelfde trainingspak verschijnt? Die eruit ziet als een Chinese boerenzoon, zo van het platteland geplukt - terwijl hij toch afkomstig is van Beijing en zijn ouders zakenmensen zijn die goed Engels spreken.

Met de vage behoefte dus Zhang uit zijn tent te lokken bekijk ik, tijdens een laatste lesuur, de Stripagenda van Azat. Ik vindt een tekening van een computer met een paar onderzoekende muizen eromheen. Eén van de muizen heeft zijn tanden in de spanningskabel gezet; het diertje is zwart getekend en hangt met gespreide pootjes in de lucht, de haartjes recht overeind. In een impuls houd ik Zhang het plaatje voor ogen, wijs op de muis-onder-stroom en zeg: “Zhang, dit is Zhang.”

Azat schatert. “Zhang!” roept hij uit en als zo vaak heerst zijn heldere lach in de klas. Zhang, met de schichtige bewegingen hem eigen, schiet overeind, wijst op dezelfde muis en piept: “Meneer Beekmans!”

“Meneer Beekmans!” herhaalt Azat en slaat zich op de knieën van plezier.

Ik kijk Zhang streng aan. Ook hij kijkt naar mij, schuins, afwachtend, met de lach van het kind dat weet dat het tegelijk grappig en brutaal is geweest. “Eh.... èh... èh....” lacht hij voorzichtig zijn piepende ademtochtjes.

“Besef je wel Zhang”, zeg ik, nu louter voor mijn eigen plezier “dat je mij zojuist een ongehoorde brutaliteit hebt toegevoegd waarop, zoals je begrijpen zult, straf niet kan uitblijven?”

De blik van Zhang toont verwarring. Maar Azat heeft een woord gehoord dat hij kent. “Straf?” herhaalt hij vragend.

“Zeker”, zegt ik. “Zhang, voor straf in de kast!” De leerlingen kennen de kast omdat daar iedere ochtend de cassetterecorder uit verschijnt, en beginnen te lachen. Ook Zhang begrijpt wat er gaat gebeuren. “Nee nee”, piept hij.

“Jawel Zhang, je moet in de kast, je bent stout geweest. In de kast.”

“Nee, nee”, roept hij weer, maar omdat hij nog altijd lacht en zelfs met een zekere gretigheid naar me toe komt, pak ik hem bij zijn arm, loop met hem naar de kast en duw hem er zachtjes in. Lijdzaam maar nog altijd lachend voor de vorm af en toe nog “nee, nee” piepend, gaat Zhang zitten. Ik doe de deur dicht en draai hem op slot. De hele klas volgt het tafereel gespannen en voor het eerst realiseer ik me dat ook Zhang graag aandacht heeft. Nog niet mondig, is zich verbergen wellicht zijn manier van opvallen.

Er heerst nu grote hilariteit in de klas. “Zhang! Zhang!” roepen de leerlingen. Vanuit de kast klinkt gesmoord gepiep. Touria, lief Marokkaans meisje van dertien, dat als een omaatje gekleed gaat, komt naar me toe, grijpt mijn arm en kijkt me met ogen groot van bezorgdheid aan. “Meneer, Zhang...” Ze legt twee handen op haar mond en trekt een verschrikt gezicht. Ik begrijp dat ze bang is dat Zhang geen lucht krijgt en doe de kast weer open. Bij zijn rentree wordt Zhang als een held binnengehaald.