Woede en vertier

Toen de financiële nood zijn hoogtepunt had bereikt, was de tijd voorbij om kieskeurig te zijn. Zo doorkruiste ik tegen een bescheiden vergoeding twee dagen lang de stad als sandwichman. De borden die op borst en rug aandacht vroegen voor zomerschoenen waren niet zwaar, maar verder had dit werk weinig pluspunten.

Aantrekkelijker bleek een baantje bij een agent van buitenlandse fotobureaus. Het bood de kans op bezoek te gaan bij de redacties van dagbladen om daar, als werkstudent, het dagelijks aanbod te tonen. Al snel was duidelijk hoe in 1960 op de Nieuwezijds de voorkeuren lagen. De hertog en hertogin van Windsor, bijvoorbeeld, deden het goed bij een ochtendblad, maar stakende Britse kompels of De Gaulle in zijn buitenverblijf gingen linea recta naar de concurrent. Eensgezind waren de kranten die zomer in hun belangstelling voor Kongo, de Belgische ex-kolonie waar na de onafhankelijkheid de chaos uitbrak. Na verloop van tijd echter begon de interesse voor Lumumba, Kasavubu en de andere hoofdrolspelers in de omwenteling te tanen.In plaats daarvan, zo blijkt uit aantekeningen, waren er goede zaken te doen met Brigitte Bardot. Daar gaf zij dan ook alle aanleiding toe. Op haar 26ste verjaardag in september probeerde ze een eind aan haar leven te maken. Dit betekende dat Henri-Georges Clouzot de opnamen moest stilleggen voor La Vérité, een film waarin zij zelfmoord pleegt na de dood te hebben veroorzaakt van haar geliefde Sami Frey: een acteur die ook in werkelijkheid haar minnaar was en om die reden met Jacques Charrier (B.B.'s nieuwe echtgenoot) vechtend over straat rolde. Fictie en realiteit raakten nog erger verstrikt toen Bardot een jaar later Vie Privée maakte, Louis Malle's visie op het leven van een door de pers belaagde ster die, alweer, probeert zichzelf te doden. Maar tegen die tijd waren op de Nieuwezijds de bakens alweer verzet. Nu waren vraag en aanbod gericht op Elizabeth Taylor, de superster die tijdens het werk aan Cleopatra door ziekte was geveld en vervolgens verliefd werd op tegenspeler Richard Burton - het begin van de meest beschreven romance aller tijden.

Door dit contact met het grote nieuws was de sluimerende liefde voor de journalistiek weer aangewakkerd. Een uitlaatklep daarvoor bood Pharetra, het studentenblad van de Vrije Universiteit. Mijn entree, zo had ik me voorgenomen, moest spraakmakend zijn. Goede kansen bood een aanval op het Corps als een relict uit voorbije tijden, een weinig verrassend standpunt dat echter de gewenste woede veroorzaakte. Een heel ander maar even kansrijk thema waren de kernproeven, die nu en dan aanleiding gaven krachtig protest aan te tekenen. Zittend achter de stokoude Remington kreeg ik hierdoor een gewichtig gevoel.

Ook de stukjes over film waren, als het even kon, strijdbaar van toon. Zo had ik in 1961 slechts hoon voor de keuring, een toen nog oplettende instantie die het overspel van Jeanne Moreau in Les Amants ongeschikt achtte voor vertoning. Nog aanzienlijk bitser was een artikel over filmverhuurders en exploitanten die er niet tegenop zagen films met tien, twintig of zelfs meer dan dertig minuten in te korten. Hun verweer was simpel: gezien de lange speelduur kunnen we soms niet anders. 'Maar het gebeurt erg zorgvuldig, men merkt er niets van', verzekerde een van de knippers. Toch viel moeilijk te ontkennen dat Splendor in the Grass van Elia Kazan en Elmer Gantry (Richard Brooks) ernstig waren verminkt en musicals als Flower Drum Song de helft van hun songs hadden verloren. Alle reden dus om de daders af te schilderen als barbaren die, als zij uitgevers waren, er niet voor zouden terugdeinzen vijftig bladzijden te schrappen uit een boek van Graham Greene.

Maar af en toe was er ook aanleiding voor een ander geluid. Warme aandacht kreeg bijvoorbeeld de neerlandicus H.S. Visscher, zojuist aangesteld als de eerste filmrecensent in de historie van Trouw. Toen hij al gauw in eigen kring op weerstand stuitte, leek een tegenactie geboden. Rechtzinnigen stelden nu wel dat Visscher de lezers 'het moeras' in voerde, maar in het VU-blad gaf ik aan wie daar in werkelijkheid rondspartelden. Het effect van zulke stukjes bleef onduidelijk, maar dat maakte niet uit: het ging om het idee dat we nu en dan een kleine missie vervulden.

Geleidelijk aan groeide het besef dat dit buiten het bereik viel van een psycholoog. Het leek dan ook een logisch besluit om na het kandidaatsexamen terug te keren naar de journalistiek. Ten afscheid zou ik nog één stuk schrijven dat, zo was het plan, wat leven in de brouwerij bracht. Dit leidde in september 1962 tot een wijdlopig artikel over Nieuw-Guinea, Luns, circus Boltini en het Britse libido, culminerend in een beschouwing over pokdalige studenten ('schorremorrie') en hun ouders. Het was een ongerichte uitval die toch een gevoelige snaar raakte. Verschillende lezers reageerden vol walging, een briefschrijver wilde de auteur doen plaatsen in een opvoedingsgesticht en het Friesch Dagblad citeerde 'een onpasselijk makend' fragment. Ten slotte lieten donateurs weten dat zij de VU geen financiële bijdragen meer wilden geven.

Kort daarna eiste de Cuba-crisis een tijdlang alle aandacht op. Dit nam niet weg dat het, op een maandagochtend in oktober, alsnog tot een onderhoud kwam met de rector-magnificus. Het gesprek had een ernstig karakter: op deze manier kon het niet doorgaan, we miskenden onze verantwoordelijkheid en een reprimande was dus op zijn plaats. Het effect daarvan werd afgezwakt door enige bedekte lof voor onze journalistieke inslag, zodat de stemming na afloop toch een tikje overmoedig was.

Dit verklaart waarom ik, anders dan voorzien, met een collega meeging naar Kriterion. Als tegenwicht voor excessen tijdens de ontgroening waren daar enkele voorstellingen georganiseerd van Nuit et Brouillard, een zes jaar oude film van Alain Resnais over de Duitse vernietigingskampen. Al binnen enkele minuten kwam de aanvechting op weg te lopen, maar daaraan toegeven was hier misplaatst. Na al die jaren moest ik de confrontatie aangaan - een andere oplossing was er die middag niet.