W.F. Hermans

IN HET NOS-TELEVISIEJOURNAAL was gisteravond om acht uur het eerste bericht gewijd aan de dood van Willem Frederik Hermans. In een gefilmd fragment was de grote schrijver zelf even te zien en te horen. Hij weersprak het veelgehoorde verwijt dat hij mensen zou pesten; die aantijging wilde hij graag de kop indrukken. Aarzelend gaf hij toe sommige mensen die denken de waarheid te verkondigen en dat doen in een gebrekkige stijl, zo nu en dan op hun tekortkomingen te wijzen. En daarna volgde de aanzet van de hem kenmerkende en algemeen gevreesde lach uit de hem tekenende, scherpe mond.

Het tweede onderwerp van het televisiejournaal van acht uur behelsde de excuses van de staatssecretarissen Patijn en Schmitz voor het feit dat zij de Tweede Kamer onvoldoende hebben ingelicht over de problemen met de uitvoering van het Verdrag van Schengen op Schiphol. De Kamerleden De Hoop Scheffer en De Graaf gebruikten strenge termen als 'politiek onvermogen', 'geklungel' en 'geflater'. De achtergrondmuziek die onweerstaanbaar opklonk onder de zwaarwichtige verklaringen van staatssecretarissen en Kamerleden kon niet anders zijn dan het snerpende geschater van de hoofdfiguur van het onderwerp daarvoor, W.F. Hermans.

Natuurlijk wordt hij nu voor van alles en nog wat uitgemaakt. Voor lastpost, querulant, onuitstaanbare sarcast, drammer, betweter, onhebbelijke geldwolf, maar steeds volgt dan onvermijdelijk op al die negatieve kwalificaties dat hij van de grote drie naoorlogse schrijvers, Reve, Mulisch, Hermans, eigenlijk de grootste was.

HET PAST NIET in deze kolom om daarover een uitspraak te doen. Wel kan worden vastgesteld dat Hermans van deze Grote Drie verreweg de geniaalste, dat wil zeggen venijnigste polemist was. Hij hanteerde een superieure, droge en kwaadaardige stijl om huichelarij, hypocrisie en leugenachtigheid op even feilloze als genadeloze manier doorzichtig te maken en aan de kaak te stellen. Hij schaterde om heldhaftigheid, om zelfingenomenheid, om opblazerij, om gewichtigheid, om bureaucratie. In zijn magistraal gecomponeerde romans en verhalen uit de jaren vijftig en zestig ontdoet hij de oorlog, het verzet en de bevrijding van elke romantische glans en hoopvolle verwachting. En zijn volstrekt individualistische visie op het bestaan wordt het beste uitgedrukt door die twee woorden die samen heel vrolijk klinken en die hij ook eens als titel gebruikte: scheppend nihilisme.

Terecht is Hermans ten opzichte van Nederland altijd uitermate wantrouwend gebleven. De kleingeestige bevindingen waardoor hij, professor Hermans, de Universiteit van Groningen de rug heeft moeten toekeren, jaren later gevolgd door het hilarische verbod om, in verband met een bezoek aan Zuid-Afrika, het grondgebied van Amsterdam te betreden - door hem polemisch natuurlijk op een duivelse manier uitgebuit - hebben zijn afkeer van de Nederlandse geest aangewakkerd en op peil gehouden.

VANAF 1973 UIT PARIJS en de laatste jaren uit Brussel bleef Willem Frederik Hermans naar Nederland kijken. Soms geamuseerd, soms rancuneus, vaak verontwaardigd en een enkele keer woedend en zijn pijlen richtend op betrekkelijk onschuldige personages en soms overdreven luid agerend tegen affaires die werkelijk te nietig waren voor zoveel kabaal. Na meesterwerken die de Nederlandse literatuur op een hoog peil helpen voortbestaan en een uitgebreide verzameling journalistiek-literaire bijdragen aan verscheidene dag- en weekbladen - Hermans was jarenlang een geregeld medewerker van NRC Handelsblad - werd het stekelige, met zwavelzuur doordrenkte genre dat W.F. Hermans als geen ander beoefende, wat krachtelozer en minder uitgelaten gemeen. Met het verdwijnen van de grote ideologieën en met de inflatie van de waarde van principes en opinies - waardoor bijvoorbeeld 'de opiniepers' een anachronisme werd - verloor de kruistocht die W.F. Hermans steeds heeft gevoerd voor een radicale tegendraadse stellingname een deel van zijn betekenis. Hij bleef onverzoenlijk en verongelijkt, maar nu meer als pose, als vorm van satire dan uit innerlijke drift.

W.F. HERMANS WAS inderdaad een querulant, een fantast, een sarcast, een obsessieve waarheidszoeker, een lastpost, een drammer, een onnavolgbare betweter. En hij was een groot kunstenaar - waarschijnlijk omdat hij al deze eigenschappen in zich droeg - die de literatuur kon smeden tot wonderlijk gereedschap waarmee hij de mankementen in de samenleving opscharrelde om deze vervolgens aanstekelijk te lijf te gaan, en ook omdat hij, naast zijn polemische kracht, het vermogen beheerste om met zijn schitterende, heldere taal ontroering teweeg te brengen. Dat laatste zou door al die andere, meer luidruchtige eigenschappen van zijn kunst bijna vergeten worden.