Vlijmen en tangen, heel veel tangen

Onwillekeurig trekken veel bezoekers met de mond, als ze eenmaal oog in oog staan met de diergeneeskundige tandartsinstrumenten. Veel van de dierenartsinstrumenten in het Utrechtse Museum Diergeneeskunde zijn imitaties van gereedschap uit de 'humane' geneeskunde - maar dan vaak vier keer zo groot. En dat geeft een gek gevoel, “zeker als je net zelf naar de tandarts bent geweest”, zegt S. de Geus, assistent-conservator van het museum. In de vitrines liggen ook nog mondsperders, tandraspen, tandbeitels en tandscharen.

Drieduizend instrumenten heeft het museum. Geboortekrukken, spatels, pillenschieters, haken, geboortehaken, tepelinstrumenten, drachtnaalden, dwangmiddelen, brandijzers en tangen - heel veel tangen. Verder oude foto's, vaandels, jaarboeken en oorkondes. “Mensen bellen vaak op, dat ze willen komen kijken. Maar als ze dan horen dat we vooral instrumenten hebben en helemaal geen opgezette dieren, dan zijn ze vaak teleurgesteld”, aldus De Geus. “Voor een basisschoolklas is het niet geschikt.” Veel van de instrumenten zijn bedoeld voor runderen. “En dat spreekt minder aan”, aldus de assistent-conservator. Het zijn vooral dierenartsen die het museum bezoeken.

Een belangrijk onderdeel van de diergeneeskunde is de verloskunde, en daarvan vormde de 'embryotomie' vroeger een gewichtig element. Als de veearts een koe moest verlossen van een doodgeboren kalf, sneed hij de dode foetus eerst in de baarmoeder van de koe aan stukken, om het gemakkelijker naar buiten te kunnen trekken. Dat is embryotomie: hoe kleiner de ontsluiting hoe meer de arts moest knippen en snijden in de dode vrucht, de armen diep in de vagina van de koe. En voorzichtig, want de koe moest onbeschadigd blijven. In een vitrine liggen ribtangen, zagen en vingermessen. “Als buitenstaander moet je er eigenlijk niet te veel over nadenken”, zegt De Geus. Vroeger had een veearts zo'n embryotomie-set bij zich in een grote leren zak, een trousse. Nu biedt de keizersnede meestal uitkomst.

Veeartsenij bestaat in Nederland sinds 1821, toen de Veeartsenijschool geopend werd in Utrecht - toen en nu de enige diergeneeskundige opleiding in Nederland. Voordien had je wel militaire paardenartsen, en boeren hadden huismiddeltjes. “Er ging vroeger vooral veel mis”, zegt De Geus.

Ruim veertig jaar geleden werd het museum opgericht, dankzij de verzamelwoede van de Drentse dierenarts H. Kroes (1858-1848). Het museum is onderdeel van het Utrechts Universiteitsmuseum, maar gevestigd in het gebouw van de faculteit Diergeneeskunde. Op weg naar hun college of de bibliotheek lopen aankomende dierenartsen meestal langs vitrines met oude vlijmen, obductiebestek, oude vaandels, coupeermessen en castratieklemmen. “Bij de castratie-instrumenten staan studenten vaak stil”, vertelt De Geus, en vooral de eerstejaars uit andere faculteiten die op introductiedagen langs de diergeneeskundige vitrines worden gevoerd. De Geus legt uit dat kneuzing van de zaadleiding vroeger om hygiënische redenen de meest effectieve castratietechniek was. De ballen kwijnden dan vervolgens vanzelf weg, atrofiëren noemen de dierenartsen dat.