Vijftigers in de jaren negentig; Roman van Rudolf Geel over overspel en desillusie

Rudolf Geel: De vervoering. Uitg. Meulenhoff, 252 blz. Prijs: ƒ36,90.

De vervoering, de nieuwe roman van Rudolf Geel, is een boek vol stemmen. Mannelijke en vrouwelijke, oude en jonge; stemmen van levenden en van doden. Veel vrolijks hebben ze niet te vertellen. De meeste stemmen horen bij vijftigers die in vooral innerlijke monologen de balans opmaken. En die laat zich eenvoudig samenvatten: hoopvol in de jaren zestig, in zak en as in de jaren negentig. Om met een van de belangrijkste stemmen, die van de psycholoog Breeman, te spreken: 'Behalve een kind hebben wij niets voortgebracht waar anderen ons om zouden kunnen benijden.'

De roman vertelt het verhaal van een groep bevriende, gehuwde volwassenen die ondanks hun vriendschap en huwelijk op eigen houtje geprobeerd hebben hun droompjes waar te maken, 'de vervoering' in hun leven te brengen waar in de titel sprake van is. In de praktijk blijkt dat streven te zijn uitgedraaid op het plegen van overspel, dat compromis tussen vervoering en veiligheid dat alle personages hebben gesloten.

Breeman, bijvoorbeeld, is al jaren overspelig met Minnie, de vrouw van zijn beste vriend Steven. Dat heeft hem verhinderd zijn in Frankrijk verongelukte echtgenote Ingeborg werkelijk te doorgronden. Minnie heeft de knoop nooit doorgehakt: ze pakt nog steeds trouw Stevens koffers in en zoekt de opwinding bij Breeman, zij het steeds minder. De naderende ouderdom maakt haar onrustig. Steven consumeert de meeslepende liefde ook al buiten de deur, op z'n vele buitenlandse reizen. Zelfs Ingeborg, ontdekt Breeman pas in de loop van de roman, hield er een minnaar op na.

Al met al zijn dit inderdaad weinig benijdenswaardige levensverhalen. 'In plaats,' concludeert Breeman, 'dat wij er tenminste een deel van ons leven aan wijdden elkaar te leren kennen, dreven wij weg van elkaar, onherroepelijk, ieder van ons gevangen in zijn eigen dromen.' Vandaar dat de jongste generatie, Breemans en Ingeborgs dochter Brecht, zich voorneemt het anders te doen. Brecht drukt zich soms wat ruw uit ('Laat je niet door die man fukken'), maar als het er op aan komt, kiest ze voor 'traditie'.

De desillusie van Brechts ouders en hun vrienden wordt in De vervoering niet op een conventionele, realistische manier bloot gelegd. De roman is zoals gezegd een koor van vooral innerlijke stemmen. Alleen de lezer krijgt alles te horen en kan uit de verhalen een geschiedenis destilleren. Ook het gebrek aan handeling is opvallend; actie is hier ondergeschikt aan gepieker.

Handeling, beklemtoont Geel zodoende, is voor zijn mannen en vrouwen verleden tijd. Wat voor hen nu aan de orde is, is het resultaat van de daden van toen: een wanhopig makend soort niks. 'Alle verhalen waren al een keer verteld, terwijl de verborgen geschiedenissen langzamerhand hun belang hadden verloren.' De vijftigers in Geels roman zijn volledig uitgeteld en uitverteld. Die conclusie maakt van De vervoering een minder triviale roman dan hij soms lijkt door het overspel-gedoe, de hartklachten van Steven en de wat naïef bejubelde kalverliefde van Brecht. Maar een werkelijk snijdend boek is het nu ook weer niet. Per slot van rekening lijden de personages niet aan iets heel opzienbarends. Hun aandoening is, zoals Breeman het ergens zelf formuleert, 'de maar al te bekende mengeling van melancholie en verlangen'.

Maar wat zich vooral wreekt, is de constructie van de roman. Hoe functioneel die misschien ook is, zij bevat wel erg veel omtrekkende bewegingen. De vervoering is vergeven van vragende zinnen als: 'Zat het in zijn hoofd, of in zijn bloed, je hart zeggen sommigen, maar wat dan nog? Zou het iets veranderen, die schijnbare ontrafeling van de liefde? En zou het zijn verlangen anders richten?' Dat houdt behoorlijk op.

En als Breeman zich pas op bladzijde 184 realiseert dat hij, in Frankrijk zoekend naar de 'laatste gedachten' van Ingeborg, eigenlijk op zoek is naar 'zijn eigen geschiedenis', weet je het als lezer zeker: dit is een héél traag boek.