Vertalen met glacéhandschoenen; De poëzie-vertalingen van J.Bernlef gebundeld

Het gedeelte van zijn P.C. Hooftprijs dat J. Bernlef kon uitgeven voor iets 'leesbevorderends', besteedde de schrijver/dichter aan 'Alfabet op de rug gezien', een verzameling van zijn poëzievertalingen.

Jean Pierre Rawie bespreekt de samenstelling van de bundel, terwijl Anna Enquist zich buigt over Bernlefs vertalingen uit het Zweeds.

J. Bernlef: Alfabet op de rug gezien. Uitg. Querido, 213 blz. Prijs: ƒ35,-.

Op het eerste gezicht is het vertalen van gedichten een ondankbare bezigheid. Zeker als je er je hoofdberoep van maakt, is je leven geen pretje. De wereld der professionele poëzievertalers is klein en de emoties kunnen er hoog oplopen (de buitenwacht merkt daar alleen iets van als er weer eens een rel is rond de toekenning van de Nijhoffprijs, of wanneer twee vertalers elkaar een dichter betwisten, zoals in het geval van Baudelaire). Frustrerend is ook dat je voortdurend met de grootste voortbrengselen van de menselijke geest verkeert, terwijl de weerklank van je werk miniem is: in het algemeen wordt vertaalde poëzie nog slechter verkocht dan oorspronkelijke, al zijn er uitzonderingen: Kavafis en Pessoa zijn bijna Nederlandse dichters geworden, maar de prachtige Chodasjewitsj van Marko Fondse is bij eerste gelegenheid verramsjt, en zo gaat het meestal. Verder word je voortdurend geconfronteerd met de stelling dat gedichten per definitie onvertaalbaar zijn, omdat poëzie bij uitstek de diepste expressie van een bepaalde volksaard zou zijn (een gedachte die overigens pas in de Romantiek is opgekomen, maar inmiddels een echte opinion chic geworden is).

Hier kan men de uitspraak van Unamuno tegenover stellen, die verklaarde dat elke echte dichter te vertalen is. Alleen niet elk gedicht en niet op elk gewenst moment. Soms moet een gedicht, of een dichter, lang wachten tot zijn vertaler verschijnt, maar een gedicht heeft de tijd. Het grootste probleem is dat beroepsvertalers zelden zelf echte dichters zijn, terwijl natuurlijk alleen een dichter ervoor kan zorgen dat 'a good poem should not be turned into a bad one', wat volgens Rossetti de enige regel is voor het vertalen van poëzie. Een dichter schrijft echter liever zelf dan dat hij vertaalt, waar immers een zekere nederigheid voor nodig is die in het algemeen niet karakteristiek is voor dichters.

Vrije vormen

Des te opmerkelijker dat J.

Bernlef het bij de P.C.

Hooftprijs horende bedrag, bestemd voor iets dat leesbevorderend moest zijn, heeft besteed aan een verzameling van zijn poëzievertalingen. Alfabet op de rug gezien (de titel is ontleend aan een gedicht van Kurt Schwitters) bevat ongeveer zestig procent van alle door hem vertaalde gedichten in een zeer verzorgde (en betaalbare) uitgave. Helaas, al is daarbewust voor gekozen, zonder de originelen.

In zijn inleiding legt Bernlef uit aan welke eisen een vertaling in zijn ogen moet voldoen, aan de hand van een uitspraak van Rudy Kousbroek, die het lezen van vertaalde poëzie vergelijkt met het 'liefkozen met handschoenen aan'. Bernlef zegt te kiezen voor 'glacéhandschoenen, misschien omdat ik zelf niet te veel tussen de lezer en de originele dichter wil gaan staan'. Bij streng berijmde poëzie is dat begrijpelijkerwijs moeilijker dan bij de vrijere vormen, en ik vind hem daarin niet altijd even sterk (in een gedicht van Weldon Kees wordt 'Here it's almost Fall / It isn't any season now' weergegeven met 'Nu op een haar na Herfst, / Seizoenen tellen niet wanneer je sterft').

Bij de breed uitwaaierende, beeldende gedichten van Elizabeth Bishop en Marianne Moore voelt hij zich duidelijk meer thuis. In de toelichtingen vertelt Bernlef hoe hij van de ene dichter op de andere gekomen is, soms letterlijk door de ene op de andere attent gemaakt is, als in het geval van Tomas Tranströmer die hem wees op de door hem weer in het Zweeds vertaalde Robert Bly. Dergelijke op het oog misschien niet zo belangrijke mededelingen vervullen een duidelijke functie in dit boek, doordat ze de lezer betrekken bij de ontdekkingstocht die Bernlef door de literatuur gemaakt heeft. Dat maakt deze chronologisch opgebouwde bundel tot iets anders (en meer) dan een willekeurige bloemlezing, ook omdat de vertaler zijn - in de loop der jaren soms veranderde - mening over de verschillende dichters geeft, waarbij hij overigens wel degelijk 'tussen de lezer en de originele dichter' gaat staan, als in het geval van Richard Wilbur, wiens poëzie 'iets te bedacht' genoemd wordt, en Weldon Kees ('meer aangrijpende menselijke documenten dan goede gedichten').

Dat kleurt de blik waarmee je vervolgens de vertalingen leest. Deze laatste dichter, de in 1955 spoorloos verdwenen Weldon Kees (zijn auto werd onbeheerd gevonden bij Golden Gate-bridge) was voor mij juist een van de grote verrassingen in dit boek. Van hem is het aangrijpende (en prachtig vertaalde) 'Robinson':

'Zo gauw Robinson voorbij is stopt dehond met blaffen.

Zijn rol is uitgespeeld. Grauw in dewereld.

Niet zonder geweld, en onder de vleu-gel schopt hij

De reeds begonnen nachtmerriejacht.

De spiegel uit Mexico, tegen de muurgeplakt

Weerspiegelt niets. Het glas is zwart.

Robinson zorgt op z'n eentje voor zijneigen beeld.

Beeld dat de totale kamer is: muren,gordijnen

Planken, bed, de ingekleurde foto vanzijn eerste vrouw

kleden, vazen, panatella's in hun doos.

Zij zouden de kamer vullen als hij bin-nenkwam.

De bladzijden in de boeken zijn leeg

De boeken die Robinson gelezenheeft. Dat daar is zijn lievelingsstoel.

Of waar die stoel zou staan als Robin-son hier was.

De hele dag rinkelt de telefoon. Misschien belt

Robinson zichzelf. Het ding gaat nooitals hij er is.

Buiten vergelen witte gebouwen in dezon.

Buiten cirkelen onafgebroken vogels

Waar bomen vakantieloos en echt be-staan.'

Dit lijkt mij een voorbeeld van zowel een menselijk document als een goed gedicht.

Een merel is geen koolmees

Poëzie waarbij de structuur vooral is aangebracht met muzikale middelen leent zich slecht voor vertaling, schrijft Bernlef. Hij illustreert dat met 'Oesters' van Nils Ferlin, een klein, compact gedicht dat in het Zweeds klinkt als een lekker rijmend kinderliedje, hetgeen scherp contrasteert met de grimmige, cynische inhoud. In de al te getrouwe vertaling gaat deze tegenstelling geheel verloren.

Gedichten waarin iets beweerd wordt en waarin het vooral om de beelden en de gedachtengangen gaat blijven veel beter overeind. De door Bernlef geselecteerde Zweedse gedichten hebben een constructie middels een drie-traps-raketmodel gemeen: de dichter neemt waar (veelal in de natuur, vrijwel altijd buiten zichzelf); het waargenomene zet een gedachtenstroom op gang die vervolgens stap voor stap genoteerd wordt in ongekunstelde, vanzelfsprekend voortkabbelende taal. Het is de taak van de vertaler om die onopzettelijkheid te handhaven. Zodra de lezer denkt: 'hoe komt hij dáár nu op' is de betovering verbroken.

In de lange gedichten van Lars Gustafsson ('Ballade over de voetpaden in Västrianland', 'Elegie over een dode labrador') slaagt Bernlef daar schitterend in. Ook de vertaling van 'De stilte van de wereld voor Bach' is volstrekt natuurlijk en bracht bij mij dezelfde ontroering teweeg als indertijd het origineel.

Eens in de zoveel tijd is er een Zweedse kunstenaar die het Hollandse hart weet te raken en hier geliefder wordt dan in eigen land. Dertig jaar geleden was dat Ingmar Bergman, nu is misschien de dichter Tomas Tranströmer aan de beurt. Bernlef houdt in elk geval veel van deze gevoelige, wat melancholieke dichter die ook al zo'n kampioen is van de waarneming. Hij nam een ruime selectie op van lange en vaak tegen het proza aanleunende gedichten, in een respectvolle vertaling zonder vrijheden. Bernlef heeft van de merel in 'Ochtendvogels' geen koolmees gemaakt om, net als in het Zweeds gebeurt, de gedachten te leiden naar de houtskool in de volgende regel. Alleen in het gedicht 'Korte pauze in het orgelconcert' heeft de vertaler ingegrepen door een consequente afwisseling van lange en korte regels in te voeren, wat in het origineel niet gebeurt. Het gedicht wint erdoor aan cadans en scherpte.

Overigens meen ik dat publikatie van vertaalde poëzie ongeflankeerd door de oorspronkelijke tekst verboden moet worden.

ANNA ENQUIST