Theorie is een surrogaat voor traditie; Architectuurgeschiedenis van Watkin gaat uit van de klassieken

David Watkin: De westerse architectuur. Een geschiedenis. Uitg. SUN, 592 blz. Prijs ƒ 99,50

De Socialistiese Uitgeverij Nijmegen (SUN) heeft zich ver verwijderd van haar marxistische oorsprong. Hoe kan het anders dat juist deze uitgeverij een architectuurgeschiedenisboek in een Nederlandse vertaling uitgeeft van een auteur die zich nadrukkelijk afzet tegen de hegeliaans-marxistische geschiedopvatting? “Het is zeker waar dat de architectuurgeschiedenis in de afgelopen jaren heeft geprofiteerd van het toegenomen inzicht in het belang van de maatschappelijke en economische achtergronden”, schrijft de Oxfordse architectuurhistoricus David Watkin in het voorwoord van De westerse architectuur. Een geschiedenis. “Een volledige overgave aan de hegeliaans-marxistische interpretatie levert echter een beeld van de geschiedenis op waarin de architectuurvormen zo onwrikbaar zijn geworteld in de geest van de tijd die ze voortbracht, dat het hernemen van deze vormen in een andere context en een andere tijd uitgesloten lijkt. Deze opvatting moeten we afwijzen omdat ze in strijd is met het feitelijke verloop van de westerse architectuurgeschiedenis, die een voortdurend teruggrijpen op oudere stijlvormen te zien geeft.”

Bij het verschijnen van de oorspronkelijke Engelse uitgave in 1986 was David Watkins architectuurgeschiedenis meer dan welkom. Want al zijn de andere architectuurgeschiedenissen zoals Pevsners Outline of European Architecture niet expliciet marxistisch, ze vatten de geschiedenis wel altijd op als een ontwikkeling die met een ijzeren noodzaak moest uitmonden in het twintigste-eeuwse modernisme, het architectonische equivalent van het socialisme. Architecten die niet als voorlopers van het modernisme kunnen worden beschouwd, krijgen weinig aandacht in dergelijke geschiedenisboeken of worden zelfs genegeerd. Negentiende-eeuwse ijzerarchitectuur en andere ingenieurswerken nemen er dan ook een belangrijkere plaats in dan de talloze gebouwen in neostijlen uit dezelfde eeuw.

Voor David Watkin is het modernisme niet het doel van de architectuurgeschiedenis, maar gewoon een van de vele stijlen. En dus krijgt het twintigste-eeuwse Engelse 'conservatieve genie' Edwin Lutyens van hem bijna net zoveel bladzijden als Le Corbusier. Ook de nationalistisch-socialistische architectuur, vrijwel altijd afgedaan als misdadig of op zijn minst bombastisch, wordt door Watkin serieus en zonder morele veroordelingen besproken. Voor de inmiddels afgebroken Eretempels van Paul Ludwig Troost op de Königsplatz in München heeft hij zelfs lovende woorden.

Toekomstvisioen

Watkins boek bestaat grotendeels uit heldere beschrijvingen van gebouwen, beginnend met de Minoïsche paleizen op Kreta en eindigend met postmodernistische bouwwerken van James Stirling, Michael Graves en anderen. Meestal slaat Watkin een rustige toon aan, en soms komt hij tot mooie inzichten. Over de ontwikkeling van de bouwkunst uit de oudheid merkt hij bijvoorbeeld op: “Het Parthenon, het Pantheon en de Hagia Sophia behoren tot de grootste bouwwerken uit de geschiedenis van de westerse architectuur. Zowel chronologisch als stilistisch houdt het Pantheon precies het midden tussen een gebouw dat vrijwel helemaal uit buitenkant bestaat, zoals het Parthenon, en een gebouw als de H. Sophia, waarbij de buitenkant slechts het omhulsel van de binnenkant is.”

Slechts heel af en toe gaat hij zich te buiten aan harde oordelen. Het betreft dan vrijwel altijd een of ander modernistisch ontwerp. Zo schrijft hij over de plannen van Le Corbusier voor Parijs, het Plan Voisin: “Met hun axiaal geplaatste, op enorme snelwegen aangesloten wolkenkrabbers, boden de Ville Contemporaine en het Plan Voisin een verleidelijk toekomstvisioen dat na de Tweede Wereldoorlog de wereld zou veroveren, met alle noodlottige gevolgen van dien.”

Aan theorieën schenkt Watkin niet veel aandacht. Voor Watkin is architectuur het scheppen van ruimte en kan zij 'niet anders uitdrukken dan haar eigen constructieve logica'. Architectuur is bouwkunst, meer niet: “Architectuur is op zichzelf noch autoritair, noch democratisch en we kunnen Griekse tempels bewonderen terwijl de dierenoffers waarvoor ze werden gebouwd ons tegen de borst stuiten”, schrijft hij. Zodra er over wordt getheoretiseerd gaat het mis, lijkt Watkin te willen zeggen, en worden gebouwen veroordeeld omdat ze door dictators als Hitler en Mussolini werden gebouwd. “De theorie was de oorzaak van de Babylonische spraakverwarring”, zo citeert hij Geoffrey Scott, de auteur van The Architecture of Humanism uit 1914 instemmend. “Theorie is een surrogaat voor traditie.”

De traditie waar Watkin hier op doelt, is de klassieke traditie. Die is volgens hem onverminderd valide en vitaal en verbindt het Parthenon, de Thermen van Caracalla en het op het laatste werk gebaseerde Newyorkse Pennsylviana-station van McKim, Mead en White uit 1911 met elkaar. Lange tijd leek het erop dat het modernisme in onze eeuw de klassieke bouwkunst aan de kant had geschoven. Maar dankzij het postmodernisme, waarin de klassieke bouwkunst weer opduikt, is er weer hoop. “De beperkende ideologieën van de Moderne Beweging zijn ten slotte overwonnen en wat voor politieke en economische moeilijkheden er ook in het verschiet liggen, het perspectief voor de beoefening van de architectuur in haar traditionele rol van meesteres der kunsten ziet er bij het verstrijken van de eeuw gunstiger uit dan op enig ander tijdstip sinds de Eerste Wereldoorlog,” luidt de laatste, optimistische zin van Watkins boek.

De klassieke bouwkunst is een 'doorgaand proces', is de boodschap van Watkins boek, en het modernisme is, net als eerder de gotiek, slechts een onderbreking van een duizenden jaren oude traditie. Watkin vindt de superioriteit van de klassieke bouwkunst zo vanzelfsprekend (en zijn afkeer van theorieën is zo groot), dat hij het niet nodig vindt om precies uit te leggen wat die nu precies inhoudt. Dit maakt het aanhangers van het modernisme - en die zijn er zeker in Nederland nog altijd in groten getale - gemakkelijk De westerse architectuur schouderophalend af te doen als het geraaskal van een reactionair. Maar dan zouden ze zichzelf tekort doen, want misschien nog overtuigender dan Watkins tekst zijn de 749 afbeeldingen van gebouwen en ontwerpen: ze openen de ogen voor vele gebouwen die ten onrechte worden zijn genegeerd in de al bestaande architectuurgeschiedenisboeken.